ECLI:NL:PHR:2010:BK9173

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03008
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 RvArt. 359 RvArt. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 13 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep schuldsaneringsregeling wegens ontbreken beroepsgronden

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem werd het verzoek van de verzoeker tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het gerechtshof Arnhem verklaarde het hoger beroep van verzoeker niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen inhoudelijke beroepsgronden bevatte en er geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die dit konden rechtvaardigen.

Verzoeker stelde dat het beroepschrift wel degelijk tijdig en toereikend was ingediend en voerde subsidiair aan dat er sprake was van uitzonderlijke omstandigheden, zoals een korte appeltermijn en het ontbreken van tolken en vertaaldiensten. Het hof verwierp deze klachten omdat het beroepschrift niet met redenen was omkleed en de aangevoerde uitzonderlijke omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het beroepschrift niet voldeed aan de eisen van artikel 278 lid 1 en Pro 359 Rv en dat het beroep derhalve niet-ontvankelijk was. Ook het beroep op schending van de artikelen 6, 13 en 14 EVRM werd verworpen omdat het hof in een andere zaak abusievelijk tot een inhoudelijke beoordeling was gekomen, maar dit niet tot gevolg had dat in deze zaak de wettelijke vereisten konden worden genegeerd.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dan ook dat het beroep verworpen dient te worden, met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen wegens het ontbreken van gemotiveerde beroepsgronden en de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Conclusie

09/03008
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 8 januari 2010
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
Deze schuldsaneringszaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 25 mei 2009 is het verzoek van verzoeker tot cassatie, [verzoeker], tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.
Het gerechtshof te Arnhem heeft [verzoeker] bij arrest van 23 juli 2009 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat zijn tijdig ingediende verzoekschrift geen beroepsgronden bevat en dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.
1.2 [Verzoeker] heeft onder aanvoering van twee cassatiemiddelen tijdig(1) beroep in cassatie tegen dit arrest ingediend.
1.3 Middel 1 klaagt allereerst dat het hof [verzoeker] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard nu het beroepschrift van 2 juni 2009 wel degelijk (summiere) beroepsgronden bevat en dus voldoet aan de door art. 359 en Pro 278 lid 1 Rv. gestelde eisen.
1.4 In de door [verzoeker] ter adstructie aangehaalde passages in zijn beroepschrift (resp. onder 2 en het petitum) is het volgende opgenomen:
"Appellant kan zich niet verenigen met het vonnis van de rechtbank Arnhem van 25 mei 2009 en dit is de reden dat appellant dit beroepschrift indient. Het vonnis van de rechtbank dateert van 25 mei 2009 en dit beroepschrift dateert van 2 juni 2009, zodat dit beroepschrift tijdig is ingediend.
(...)
Appellant zich wendt tot het gerechtshof met het verzoek de beslissing van de rechtbank te Arnhem d.d. 25 mei 2009 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat appellant zal worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen."
1.5 Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu in de geciteerde passages geen andere beroepsgrond is vermeld dan dat verzoeker zich niet kan verenigen met het beroepen vonnis. Niet gezegd kan worden dat aldus de bezwaren tegen het vonnis zijn uiteengezet(2). Het beroepschrift is mitsdien niet met redenen omkleed(3).
1.6 Het middel bevat daarnaast de subsidiaire klacht dat [verzoeker] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard gelet op de zeer uitzonderlijke omstandigheden van het geval, te weten "de korte appeltermijn, en het niet beschikbaar zijn van de tekst van de benodigde stukken/overleg met de rechtzoekende/verzoeker, het niet aanwezig zijn van Tolk en Vertaaldienst en het feit dat de advocaat van [verzoeker] ervaring had met het hof Arnhem".
De klacht, die (deels) een herhaling is van hetgeen bij het hof is betoogd en waarop het hof een gemotiveerde beslissing heeft gegeven (rov. 3.3), voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
1.7 Middel 2 klaagt dat het hof de art. 6, 13 en 14 EVRM heeft geschonden door in een andere zaak waarin de wettelijke appeltermijn eveneens was overschreden wel tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoekschrift te komen.
1.8 Ook deze klacht is al in de procedure bij het hof aan de orde geweest. Dienaangaande heeft het hof geoordeeld (rov. 3.2) dat het enkele feit dat het hof in een andere zaak, waarin eveneens de gronden voor het beroep in het beroepschrift ontbraken, abusievelijk daaraan is voorbij gegaan en ten onrechte is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, niet betekent dat het hof deze omissie in daarop volgende soortgelijke gevallen dient voort te zetten door aan dit wettelijk vereiste niet langer de consequentie van een niet-ontvankelijkheid te verbinden. Dit oordeel is juist.
1.9 Nu beide middelen falen, dient het beroep te worden verworpen, hetgeen m.i. met toepassing van art. 81 RO Pro kan geschieden.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het cassatieverzoekschrift is op 29 juli 2009 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
2 Asser Procesrecht /Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 234 e.v.
3 Van Mierlo 2008 (T&C Rv), art. 278 Rv Pro., aant. 5.