ECLI:NL:PHR:2010:BK8926

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01738
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SvArt. 283.6 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-toekennen laatste woord verdachte in hoger beroep

In deze zaak stond centraal of de verdachte in hoger beroep het recht had gekregen om het laatste woord te voeren, zoals vereist op grond van artikel 311, vierde lid, Sv. Het gerechtshof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard, maar in het proces-verbaal van de terechtzitting bleek niet dat aan de verdachte het laatste woord was gelaten.

De Hoge Raad overwoog dat het verschil tussen het voeren van het woord ter verdediging en het voeren van het laatste woord essentieel is. Het laatste woord geeft de verdachte de mogelijkheid om het menselijke element in het strafproces te laten doorklinken. Het ontbreken van deze gelegenheid leidt tot nietigheid van het proces.

De Hoge Raad verwierp de gedachte dat deze nietigheid kan worden gerelativeerd, ook niet als de verdachte werd bijgestaan door een raadsman. De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij de verdachte wel het laatste woord moet worden gelaten.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd wegens het niet toekennen van het laatste woord aan de verdachte en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. S 08/01738
Mr Vegter
Zitting 5 januari 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 27 maart 2008 in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2. Namens verdachte heeft Mr A.W.T. Klappe, advocaat te 's-Hertogenbosch, cassatie ingesteld. Mr J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Het middel klaagt erover dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet het recht is gelaten om als laatste het woord te voeren als bedoeld in art. 311, vierde lid, Sv.
4. Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
"(...)
De voorzitter stelt de vraag aan de orde of verdachte ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. (...)
Desgevraagd verklaart verdachte -zakelijk weergegeven- als volgt:
lk was op de hoogte van de dag van de terechtzitting in eerste aanleg.
De advocaat-generaal deelt mede -zakelijk weergegeven-: (...)
De raadsman verklaart -zakelijk weergegeven-:
(...)
De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-:
Het is inderdaad zo dat ik van de terechtzitting wist. Ik kon wegens geldgebrek echter niet bij de terechtzitting aanwezig zijn.
Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting teneinde zich te beraden.
Na hervatting van het onderzoek verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede
dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden."
5. Gelet op het arrest van uw Raad van 12 februari 2008, LJN BC3773 brengt het voorschrift vervat in het vierde lid van artikel 311 Sv Pro voor de verdachte(1) niet alleen mee dat hij de bevoegdheid heeft het laatste woord te voeren, maar tevens de verplichting voor de rechter om de verdachte uit eigen beweging aan te bieden van die gelegenheid gebruik te maken. De Hoge Raad overwoog: "Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het vierde lid van art. 311 Sv Pro op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen." Evenals in het onderhavige geval werd verdachte in die zaak bijgestaan door een raadsman, voerden er nadat de verdachte en raadsman ter verdediging het woord hadden gevoerd geen andere procesdeelnemers het woord over de aanhangige strafzaak en ontbrak in het proces-verbaal de zinsnede dat de verdachte het laatste woord is gelaten. Voor de verdachte is er daarmee dus een verschil tussen als laatste het woord voeren en het laatste woord voeren. Van dat laatste is slechts sprake indien de verdachte daartoe uitdrukkelijk in de
gelegenheid is gesteld en dat ook blijkt uit het proces-verbaal van de zitting.
Het lijkt er op dat de nietigheid voor zover het de verdachte betreft niet kan worden gerelativeerd. Dat hangt vermoedelijk samen met een tweetal omstandigheden. Allereerst is er het verschil tussen het voeren van het woord ter verdediging en het voeren van het laatste woord. Bij gelegenheid van het laatste woord mag de verdachte natuurlijk nogmaals woorden ter verdediging spreken, maar het laatste woord biedt de verdachte tevens de gelegenheid het menselijke element in het strafproces te laten doorklinken.(2) De tweede omstandigheid ontleen ik aan de wetsgeschiedenis. Nog betrekkelijk recent (begin jaren negentig vorige eeuw) werd de op het voorschrift van artikel 311, vierde lid, Sv gestelde formele nietigheid uitdrukkelijk gehandhaafd, omdat de wetgever niet verwachtte dat zich enig geval zou voordoen waarin nietigheid een te zware sanctie is.(3)
Ik heb mij afgevraagd of ingeval van bijstand door een rechtsgeleerd raadsman er desondanks niet veel voor te zeggen is de nietigheid te relativeren. Ik zie niet in dat er een wezenlijk verschil is tussen de voorzitter die nalaat uitdrukkelijk de cautie te geven(4) en de voorzitter die nalaat uitdrukkelijk te vermelden dat verdachte het laatste woord heeft. Voor beide gevallen geldt dat de raadsman zo nodig kan ingrijpen. Mijn voormalig ambtgenoot Wortel heeft in zijn conclusie voor het vermelde arrest uit 2008 relativering (om andere reden) voorgesteld, maar de Hoge Raad wil daar kennelijk niet van weten. Derhalve rest slechts als conclusie dat het middel slaagt.
6. Het voorgestelde middel slaagt.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugverwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Voor de raadsman ligt het anders. Zie HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 243 m.nt. De Hullu en bijvoorbeeld HR 25 februari 2003, LJN AF3368, NJ 2003, 558.
2 G.J.M.Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer 2008, p. 628 onder verwijzing naar J.Remmelink, Het laatste woord van de verdachte; in: Strafrecht in balans, Arnhem 1983, p. 211-232.
3 Kamerstukken II, 23 075, nr. 3, p. 4.
4 vgl. HR 24 mei 1977, NJ 1978, 316, en 17 jan. 1978, NJ 1978, 341, m.nt. Th.W. van Veen