ECLI:NL:PHR:2010:BK8210
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettelijke grondslag rookverbod horecaondernemer zonder personeel
Verdachte werd ten laste gelegd dat zij op 23 november 2008 in haar horecagelegenheid zonder personeel geen rookverbod had ingesteld, aangeduid of gehandhaafd, in strijd met de Tabakswet en daarop gebaseerde besluiten. Het hof sprak haar vrij omdat het oordeelde dat er geen wettelijke grondslag bestond voor de verplichting tot het instellen van een rookverbod op grond van artikel 11a lid 4 van de Tabakswet.
De Hoge Raad onderzocht of artikel 11a lid 4 Tabakswet, dat verwijst naar artikel 10 lid 1 Tabakswet Pro, ook het instellen van een rookverbod zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 Tabakswet Pro omvat. De Hoge Raad concludeerde dat de verwijzing naar lid 2 van artikel 10 Tabakswet Pro bewust is weggelaten en dat het instellen van een rookverbod niet zonder meer uit artikel 11a lid 4 kan worden afgeleid.
De Hoge Raad oordeelde dat het Besluit uitvoering rookvrije werkplek, waarin het rookverbod voor horecaondernemers zonder personeel is neergelegd, niet zelfstandig een strafrechtelijke verplichting kan opleggen zonder wettelijke grondslag. De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling, waarbij duidelijkheid moet worden verschaft over de wettelijke basis van het rookverbod.
De uitspraak benadrukt het legaliteitsbeginsel in het strafrecht en het belang van een duidelijke wettelijke grondslag voor strafbare feiten, in dit geval de verplichting tot het instellen van een rookverbod in horecagelegenheden zonder personeel.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling vanwege ontbreken van een duidelijke wettelijke grondslag voor het rookverbod.