ECLI:NL:PHR:2010:BK3532
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn in cassatie bij tenuitvoerlegging buitenlandse straf
In deze zaak gaat het om de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie in een procedure op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots). De veroordeelde stelde dat de behandeling van zijn cassatieberoep niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden, omdat het dossier pas na negen en een halve maand bij de Hoge Raad was ingediend, terwijl de redelijke termijn korter zou moeten zijn.
De conclusie van de Advocaat-Generaal bespreekt of de redelijke termijn in Wots-zaken gelijk is aan die in gewone strafzaken, waarbij wordt opgemerkt dat in Wots-zaken geen wettelijke inzendingstermijn geldt en dat het schriftelijk vonnis vrijwel onmiddellijk na de uitspraak beschikbaar is. Er wordt een redelijke termijn van drie maanden voorgesteld voor Wots-zaken, korter dan de zes maanden die geldt voor gewone strafzaken met voorlopige hechtenis.
De conclusie wijst erop dat de detentie voorafgaand aan de Wots-beslissing formeel geen voorlopige hechtenis is, maar dat aansluiting bij de redelijke termijn voor voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is. In deze zaak is de inzendingstermijn met ruim zes maanden overschreden, wat leidt tot de conclusie dat de strafvermindering passend is.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover het de straf betreft en tot vermindering van de opgelegde straf.
Uitkomst: De overschrijding van de redelijke termijn in cassatie leidt tot strafvermindering.