ECLI:NL:PHR:2010:BJ8544
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van loonbelastingheffing op buitenlandse betaald voetbalorganisaties en de verenigbaarheid met het vrije verkeer van diensten
Belanghebbende, een Nederlandse betaald voetbalorganisatie, organiseerde in 2004 een vriendschappelijke wedstrijd met een Britse betaald voetbalorganisatie (BVO). Belanghebbende betaalde een gage aan de Britse BVO zonder loonbelasting in te houden. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag loonbelasting op, die door de Rechtbank werd vernietigd, maar door het Hof werd hersteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de wettelijke regeling die loonbelasting via broninhouding heft op buitenlandse gezelschappen verenigbaar is met artikel 49 EG Pro-Verdrag.
De Rechtbank oordeelde dat de regeling een verboden beperking van het vrije verkeer van diensten vormt, omdat de inhoudingsplicht en aansprakelijkheid dienstontvangers kunnen weerhouden buitenlandse gezelschappen te contracteren. De regeling werd evenwel niet als passend middel gezien vanwege de mogelijkheid tot administratieve bijstand tussen lidstaten. Het Hof stelde daarentegen dat de regeling geen verboden beperking vormt, mede omdat de loonbelasting kan worden verrekend met de Britse winstbelasting en de administratieve lasten niet onevenredig zijn.
De zaak werd uitgebreid besproken in het kader van Europese jurisprudentie, waaronder de arresten Scorpio, Turpeinen, Amurta en Truck Center, die verschillende aspecten van bronheffing, discriminatie en proportionaliteit behandelen. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de bronheffing een belemmering vormt die niet proportioneel is gezien de mogelijkheden van administratieve bijstand en dat prejudiciële vragen aan het HvJ EG wenselijk zijn om de Europese rechtspositie te verduidelijken.
Uitkomst: Het Hof oordeelde dat de bronheffingsregeling passend is, maar de Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het HvJ EG over de verenigbaarheid met het vrije verkeer van diensten.