ECLI:NL:PHR:2010:BJ8520
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over loonbelastingheffing buitenlandse betaald voetbalorganisaties en vrije verkeer van diensten
Belanghebbende, een Nederlandse betaald voetbalorganisatie, betaalde in 2002 een gage aan een Britse betaald voetbalorganisatie voor een vriendschappelijke wedstrijd in Nederland, zonder loonbelasting in te houden. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag loonbelasting op, die door de Rechtbank werd vernietigd maar door het Hof werd bevestigd. De kern van het geschil is of de wettelijke regeling die loonbelastingheffing via broninhouding op buitenlandse gezelschappen toepast verenigbaar is met artikel 49 EG Pro-Verdrag.
De Rechtbank oordeelde dat de regeling een verboden beperking vormt omdat zij buitenlandse gezelschappen en de dienstontvanger zwaarder belast en belemmeringen opwerpt, terwijl het doel van effectieve belastinginning ook op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Het Hof daarentegen vond geen verboden beperking en oordeelde dat de regeling een passend en noodzakelijk middel is, mede omdat de loonbelasting kan worden verrekend met de Britse winstbelasting.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid relevante jurisprudentie van het HvJ EG, waaronder de zaken Scorpio, Turpeinen, Amurta en Truck Center, die verschillende aspecten van bronheffing, discriminatie en proportionaliteit behandelen. De Hoge Raad constateert tegenstrijdigheden in de rechtspraak en ziet aanleiding om prejudiciële vragen aan het HvJ EG te stellen over de objectieve vergelijkbaarheid van binnenlandse en buitenlandse gezelschappen, de proportionaliteit van bronheffing en de neutralisatie van belemmeringen via verrekening.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de bronheffing een belemmering vormt die niet proportioneel is, mede gezien de mogelijkheden tot administratieve bijstand en verrekening, en dat de bewijslast voor verrekening bij de Nederlandse belastingdienst ligt. Het geding wordt geschorst en voorgelegd aan het HvJ EG voor prejudiciële beslissing.
Uitkomst: Het geding wordt geschorst en voorgelegd aan het HvJ EG voor prejudiciële beslissing over de loonbelastingheffing van buitenlandse betaald voetbalorganisaties.