ECLI:NL:PHR:2010:BJ8475
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over transfervergoeding profvoetballer onder belastingverdrag Nederland-Zweden
Belanghebbende, een profvoetballer die van Zweden naar Nederland verhuisde, ontving een transfervergoeding die door zijn voormalige Zweedse club aan hem werd betaald. De kern van het geschil betrof de vraag of deze vergoeding onder artikel 15 (inkomsten uit dienstbetrekking) of artikel 17 (inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars) van het belastingverdrag Nederland-Zweden viel. Dit is van belang voor de toerekening van het heffingsrecht en de wijze van voorkoming van dubbele belasting.
De Rechtbank oordeelde dat de vergoeding betrekking had op werkzaamheden verricht in Zweden en dus niet in Nederland belastbaar was. Het Hof stelde vast dat de navorderingsaanslag niet in strijd was met artikel 16 AWR Pro en bevestigde dat de transfervergoeding in 2002 werd genoten. De Hoge Raad heeft de uitleg van artikel 15 en Pro 17 van het verdrag en het OESO-modelverdrag uitgebreid besproken, waarbij werd vastgesteld dat de transfervergoeding niet onder artikel 17 valt Pro omdat deze niet direct verbonden is aan persoonlijke werkzaamheden als sportbeoefenaar in Nederland.
De Hoge Raad bevestigde dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd omdat belanghebbende niet kon vertrouwen op de primitieve aanslag gezien de communicatie met de inspecteur. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van belastingverdragen op inkomsten van sporters en de voorwaarden waaronder navordering is toegestaan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de transfervergoeding belastbaar is in Zweden en dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.