ECLI:NL:PHR:2010:BJ3573
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens behulpzaamheid bij wederrechtelijk verblijf van vreemdelingen in Nederland
In deze zaak stond de vraag centraal of het verblijf van bepaalde vreemdelingen in Nederland als wederrechtelijk kon worden aangemerkt op grond van artikel 197a Sr, omdat zij arbeid verrichtten zonder te voldoen aan de meldingsplicht zoals bepaald in de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit.
Het hof had bewezen verklaard dat de betrokken vrouwen niet konden aantonen dat zij voor een periode van maximaal drie maanden naar Nederland waren gekomen om arbeid te verrichten, noch dat zij onverwijld melding hadden gedaan bij de korpschef van de gemeente waar zij verbleven. Dit leidde tot de conclusie dat hun verblijf wederrechtelijk was. Verdachte werd veroordeeld wegens het uit winstbejag behulpzaam zijn bij dit verblijf.
De verdediging voerde aan dat het hof ten onrechte het wederrechtelijk verblijf had bewezen verklaard voor twee vrouwen en dat het hof onjuist had getoetst aan de Vreemdelingenwet 2000, die nog niet van kracht was ten tijde van het staande houden. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat het verblijf wederrechtelijk was, en dat toetsing aan de Vreemdelingenwet 2000 niet vereist was.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis slechts voor zover het de strafoplegging betrof en stelde dat de straf verminderd kon worden wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar verwierp het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het wederrechtelijk verblijf blijft bewezen, met vernietiging van de strafoplegging en mogelijkheid tot strafvermindering.