ECLI:NL:PHR:2010:BH9189
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling premieplicht en loonbegrip bij solidariteitsheffing en heffing ondernemingsraden
Belanghebbende voerde cassatie tegen het oordeel dat de solidariteitsheffing, een inhouding op het loon van werknemers ten behoeve van een sociaal fonds, premieplichtig loon vormt. De solidariteitsheffing werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aangemerkt als premieplichtig loon, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en in beroep ging.
De Hoge Raad analyseerde of de solidariteitsheffing als loon moet worden beschouwd, ook al wordt het bedrag niet rechtstreeks aan de werknemer uitbetaald maar aan een derde, de Stichting. De Raad concludeerde dat een werknemer loon geniet wanneer hij beschikkingsmacht heeft over het loonbestanddeel, ook als dat via de werkgever aan een derde wordt besteed. De solidariteitsheffing valt binnen deze definitie en is dus premieplichtig loon. Daarnaast verwierp de Hoge Raad het argument dat de solidariteitsheffing als negatief loon moet worden aangemerkt, omdat er geen causaal verband met de taakuitoefening van de werknemer bestaat.
Ten aanzien van de heffing ondernemingsraden (OR-heffingen) stelde de Hoge Raad vast dat de rechtsgang exclusief bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) ligt en dat de Hoge Raad zelf niet bevoegd is hierover te oordelen. De Hoge Raad bevestigde dat de dubbele heffing die ontstaat door zowel de solidariteitsheffing als de heffing over de uitkeringen van de Stichting geen reden is om de premieplicht te verwerpen.
De conclusie van de Hoge Raad is dat het beroep van belanghebbende ongegrond is voor de premies werknemersverzekeringen en dat de Hoge Raad niet bevoegd is te oordelen over de OR-heffingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard voor premies werknemersverzekeringen en de Hoge Raad is niet bevoegd over de OR-heffingen te oordelen.