ECLI:NL:PHR:2009:BK2136
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verbeurdverklaring geldbedrag bij invoer cocaïne wegens onvoldoende motivering
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot veertig maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk invoeren van circa 9.956 gram cocaïne op 24 februari 2007 te Schiphol. Tevens verklaarde het hof diverse in beslag genomen voorwerpen, waaronder een geldbedrag van 3400 USD, verbeurd. Namens verdachte werd cassatieberoep ingesteld tegen de verbeurdverklaring van dit geldbedrag.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het geldbedrag verband houdt met het bewezenverklaarde feit. Het hof ging ervan uit dat het geldbedrag door verdachte werd gebruikt bij het plegen of voorbereiden van het feit, maar gaf geen nadere toelichting. De conclusie stelt dat het denkbaar is dat het geldbedrag een vergoeding of beloning van opdrachtgevers was, maar dat dit niet betekent dat het geldbedrag het feit heeft voorbereid of begaan.
Daarnaast wijst de conclusie op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, wat strafvermindering rechtvaardigt. De conclusie adviseert de vernietiging van het arrest voor zover het de verbeurdverklaring van het geldbedrag betreft en tot een passende beslissing op dat punt. Tevens wordt vernietiging en vermindering van de strafduur voorgesteld, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De verbeurdverklaring van het geldbedrag van 3400 USD wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering; tevens wordt de strafduur verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.