ECLI:NL:PHR:2009:BK0261
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing belasting zware motorrijtuigen voor lijnrijders ondanks verkoopinrichting vrachtwagens
Deze zaak betreft vijf proefprocedures over de belasting zware motorrijtuigen, waarbij lijnrijders bloemen en planten vervoeren en verkopen vanuit vrachtwagens met speciale aanpassingen voor verkoop. De kernvraag is of deze voertuigen uitsluitend bestemd zijn voor goederenvervoer in de zin van de Wet belasting zware motorrijtuigen en de Europese richtlijn 1999/62/EG.
De rechtbank oordeelde dat de vrachtwagens mede bestemd zijn voor verkoop en dus niet uitsluitend voor goederenvervoer, waardoor de belasting niet verschuldigd was. Het hof stelde echter dat de algemene bestemming van de voertuigen het vervoer van goederen is, ondanks de aanpassingen zoals zijdeur met trap, koelinstallatie en tl-verlichting. Deze aanpassingen zijn ondergeschikt en wijzigen niet de hoofdfunctie van het voertuig.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en volgt de uitleg van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat de algemene bestemming van het voertuig bepalend is, niet het feitelijke gebruik. Ook het argument dat lijnrijders geen vervoersondernemers zijn, wordt verworpen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt eveneens afgewezen, omdat het beleidsbesluit van de staatssecretaris niet het feitelijke gebruik als doorslaggevend aanmerkt.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de heffing van de belasting zware motorrijtuigen voor de betrokken vrachtwagens.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vrachtwagens van lijnrijders uitsluitend bestemd zijn voor goederenvervoer en dat de belasting zware motorrijtuigen verschuldigd is.