ECLI:NL:PHR:2009:BJ9924
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsbeslissing en vermindert bedrag wegens termijnoverschrijding
In deze zaak gaat het om de cassatie tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin aan verzoeker de verplichting is opgelegd om een bedrag van € 40.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen. De veroordeling betreft deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met het invoeren, verkopen en vervoeren van cocaïne en heroïne in de periode van 1 september 2001 tot en met 16 oktober 2002.
De verdediging voerde aan dat de periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld onjuist was vastgesteld, namelijk dat deze periode moest worden beperkt tot december 2001 tot 16 oktober 2002. De Hoge Raad stelt echter vast dat het hof de ontnemingsperiode heeft vastgesteld binnen de bewezenverklaring van de rechtbank en dat het hof zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt dan ook.
Daarnaast wijst de advocaat-generaal op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure, waardoor de Hoge Raad een vermindering van het ontnemingsbedrag dient toe te passen. Overige gronden voor vernietiging zijn niet aangetroffen. De conclusie is dat het beroep in cassatie wordt verworpen, met een vermindering van het ontnemingsbedrag wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het ontnemingsbedrag wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.