ECLI:NL:PHR:2009:BJ9437
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking omgangsrecht en kinderalimentatie bij echtscheiding met gezag
In deze echtscheidingszaak tussen de moeder en vader, die gehuwd waren sinds 1992 en twee kinderen hebben, stond centraal de vraag of de moeder, die met het gezag over de minderjarige kinderen is belast, voor onbepaalde tijd de omgang met haar kinderen kan worden ontzegd en of de vastgestelde kinderalimentatie voldoende gemotiveerd is.
De rechtbank bepaalde dat het hoofdverblijf van het oudste kind bij de vader zou zijn en het jongste kind afwisselend bij beide ouders verblijft. Tevens werd kinderalimentatie vastgesteld waarbij de moeder aan de vader een bijdrage moest betalen. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, met name tegen de omgangsregeling en de hoogte van de alimentatie.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees een omgangsregeling met het oudste kind af, met de overweging dat het kind zelf in eigen tempo toenadering tot de moeder moet zoeken. De moeder stelde cassatie in tegen dit oordeel en de alimentatiebeslissing.
De Hoge Raad overwoog dat de wet geen grondslag biedt voor een definitieve ontzegging van omgang aan een ouder met gezag en dat afwijzing van omgangsverzoeken van tijdelijke aard moet zijn, zodat de ouder bij gewijzigde omstandigheden opnieuw een verzoek kan indienen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof de alimentatiebeslissing voldoende heeft gemotiveerd, ondanks afwijkingen in de draagkrachtberekening, en dat de vastgestelde alimentatie redelijk is gezien de financiële posities van beide ouders.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen; omgangsrecht wordt niet voor onbepaalde tijd ontzegd en kinderalimentatie is redelijk vastgesteld.