ECLI:NL:PHR:2009:BJ8842

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03508
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 319 FwArt. 6 EVRMArt. 19 RvArt. 321 FwArt. 85 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag bewindvoerder wegens schending fundamentele procesrechten

In deze zaak gaat het om het ontslag van een bewindvoerder in een schuldsaneringsprocedure. De rechtbank Utrecht heeft de bewindvoerder ontslagen op voordracht van de rechter-commissaris zonder haar te horen ter zitting, noch haar de gelegenheid te geven haar standpunt toe te lichten. Dit is in strijd met art. 319 van Pro de Faillissementswet en het fundamentele verdedigingsbeginsel.

De bewindvoerder had wel schriftelijk haar standpunt kenbaar gemaakt in correspondentie met de rechter-commissaris, maar dit volstaat niet om te voldoen aan het vereiste van horen zoals bedoeld in art. 319 Fw Pro en art. 6 EVRM Pro. De rechtbank heeft bovendien nagelaten de motieven van de rechter-commissaris voor het ontslag te onderzoeken en te motiveren, waardoor de beschikking onvoldoende gemotiveerd is.

De Procureur-Generaal concludeert dat de beschikking moet worden vernietigd en de zaak moet worden verwezen naar een ander gerecht voor een nieuwe behandeling waarbij de bewindvoerder wel wordt gehoord en de motivering adequaat wordt gegeven. Klachten over vermeende partijdigheid van de rechtbank worden niet verder behandeld omdat de zaak wordt verwezen.

Uitkomst: De beschikking tot ontslag van de bewindvoerder wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nieuwe behandeling.

Conclusie

08/03508
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 25 september 2009
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
Het gaat in deze schuldsaneringszaak over het ontslag van de bewindvoerder en de vraag of de rechtbank daarbij de fundamentele beginselen van een behoorlijk proces in acht heeft genomen.
1. Feiten en procesverloop(1)
1.1 Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 1 april 2008 is de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard ten aanzien van [betrokkene 1] met benoeming van verzoekster tot cassatie, hierna: de bewindvoerder, tot bewindvoerder en mr. T. Pavicevic tot rechter-commissaris.
1.2 Op voordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank de bewindvoerder bij beschikking van 18 juli 2008 ontslagen en in haar plaats mr. T.F. Quaars benoemd aan wie de bewindvoerder rekening en verantwoording dient af te leggen.
1.3 De bewindvoerder heeft tegen deze beschikking tijdig(2) beroep in cassatie(3) ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 De op één pagina vervatte beslissing van de rechtbank om de bewindvoerder als zodanig te ontslaan, luidt als volgt:
"De rechter-commissaris heeft een voordracht gedaan de bewindvoerder te ontslaan en door een ander te vervangen.
De voordracht is op de daarbij gegeven reden toewijsbaar."
2.2 Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen.
Onderdeel 1 klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank art. 319 Fw Pro heeft geschonden door de bewindvoerder te ontslaan zonder haar op te roepen om te verschijnen ter zitting en zonder haar in de gelegenheid te stellen om haar standpunt op de voordracht van de rechter-commissaris toe te lichten. Indien de rechtbank van oordeel is geweest dat aan het vereiste van het horen van de bewindvoerder is voldaan omdat de bewindvoerder in haar briefwisseling met de rechter-commissaris voldoende duidelijk haar standpunt heeft kunnen uiteenzetten, is volgens de tweede klacht van dit onderdeel tevens sprake van een schending van art. 6 EVRM Pro nu de bewindvoerder ook de gelegenheid had moeten worden gegeven om haar standpunt ten overstaan van de rechtbank toe te lichten.
2.3 Het onderdeel is terecht voorgedragen.
Ingevolge art. 319 Fw Pro is de rechtbank bevoegd de bewindvoerder te ontslaan en door een ander te vervangen na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben(4). Uit de door de bewindvoerder overgelegde faxbrief van de waarnemend griffier van de rechtbank Utrecht van 21 juli 2008 blijkt dat er geen oproeping van de bewindvoerder en geen behandeling ter zitting van de rechtbank heeft plaatsgevonden.
2.4 Daarnaast blijkt noch uit de bestreden beschikking noch uit enig ander thans in cassatie overgelegd processtuk dat de bewindvoerder is gevraagd anderszins aan de rechtbank haar visie op het verzoek van de rechter-commissaris te geven(5). Wel blijkt uit het in cassatie overgelegde procesdossier dat er tussen de bewindvoerder en de rechter-commissaris voorafgaand aan het verzoek tot ontslag een geprikkelde briefwisseling is geweest die betrekking had op een verzoek van de bewindvoerder om de afwikkeling van een pauliana aan haar kantoorgenoot uit te besteden en dat de rechter-commissaris de bewindvoerder bij brief van 17 juli 2008 heeft meegedeeld dat bij de rechtbank een voordracht tot ontslag zou worden ingediend, welke voordracht dus daags daarna al tot de bestreden beschikking heeft geleid. De voordracht zelf ontbreekt.
De rechtbank heeft mitsdien het - met zoveel woorden in onder meer art. 6 EVRM Pro, art. 19 Rv Pro. en art. 319 Fw Pro neergelegde - fundamentele verdedigingsbeginsel miskend.
2.5 Ook is de bestreden beschikking volstrekt onvoldoende gemotiveerd, waarover onderdeel 2 terecht klaagt.
Zoals hiervoor vermeld heeft de rechtbank het verzoek van de rechter-commissaris toegewezen op grond van de bij de voordracht gegeven reden. Nu de rechtbank niet heeft overwogen welke reden of redenen de rechter-commissaris voor haar voordracht tot ontslag van de bewindvoerder heeft aangevoerd, ontbreekt iedere motivering. Dit klemt temeer nu de voordracht van de rechter-commissaris door de rechtbank is gevolgd en de bewindvoerder is ontslagen(6).
2.6 Onderdeel 3 ten slotte klaagt dat de schijn is gewekt dat de rechtbank niet objectief en onpartijdig heeft gehandeld en daarmee art. 6 EVRM Pro heeft geschonden. Het onderdeel voert daartoe - verkort weergegeven - aan dat, naast de hiervoor in de onderdelen 1 en 2 genoemde gebreken in de behandeling van de rechtbank, in het formulier waarmee het ontslag van de bewindvoerder wordt gevraagd, de rechter wordt genoemd die de beschikking moet tekenen.
2.7 Nu de bestreden beschikking moet worden vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing zal moeten worden verwezen naar een ander gerecht, ontbreekt het belang bij de behandeling van dit onderdeel. Overigens ben ik van mening dat de in het onderdeel genoemde omstandigheden niet tot het oordeel leiden dat de rechtbank het fundamentele beginsel van onpartijdigheid uit het oog heeft verloren, maar veeleer de in de eerste onderdelen voorgedragen klachten onderstrepen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Utrecht van 18 juli 2008 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie de bestreden beschikking.
2 Het cassatieverzoekschrift is op 14 augustus 2008 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
3 Ingevolge art. 321 in Pro verbinding met art. 85 Fw Pro staat tegen het ontslag van de bewindvoerder als bedoeld in art. 319 Fw Pro geen hoger beroep open.
4 Verg. art. 73 Fw Pro over ontslag van de curator.
5 Volgens B. Wessels, Insolventierecht, Bestuur en beheer na faillietverklaring, Deel IV, 2008, nr. 4018, kan in voorkomende gevallen een praktische aanpak zijn dat het horen van de rechter-commissaris door de rechtbank schriftelijk plaatsvindt en een afschrift van het advies van de rechter-commissaris aan de betrokkene (i.c. de bewindvoerder) ter hand wordt gesteld opdat daarop bij de rechtbank kan worden gereageerd.
6 Zie de noot van Van der Grinten onder HR 23 september 1983, NJ 1984, 202 over het ontslag van een curator en B. Wessels, Insolventierecht, Bestuur en beheer na faillietverklaring, Deel IV, 2008, nr. 4123.