ECLI:NL:PHR:2009:BJ7993

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02584 BdW
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 575 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over ontvankelijkheid cassatieberoep bij dwangbevel wegens consignatieplicht

De Rechtbank Amsterdam verklaarde het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ongegrond. Veroordeelde stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissing. Volgens art. 575, derde lid, Sv is een cassatieberoep alleen ontvankelijk indien de veroordeelde vooraf het nog verschuldigde bedrag en de griffiekosten heeft gestort (consignatieplicht).

Uit het dossier bleek echter niet dat veroordeelde op deze consignatieplicht was gewezen of dat aan deze verplichting was voldaan. De griffier van de Rechtbank Amsterdam bevestigde dat geen stappen waren ondernomen om veroordeelde in de gelegenheid te stellen het bedrag te consigneren.

De Hoge Raad concludeerde daarom dat het beroep niet niet-ontvankelijk kon worden verklaard en bepaalde in een tussenbeschikking dat veroordeelde alsnog binnen een door de Hoge Raad te stellen termijn de consignatie kan voldoen. De verdere beslissing in de zaak werd aangehouden totdat aan deze verplichting was voldaan.

Uitkomst: Veroordeelde krijgt alsnog gelegenheid tot consignatie, verdere beslissing aangehouden.

Conclusie

Nr. 08/02584 BdW
Mr. Bleichrodt
Zitting 25 augustus 2009
Conclusie inzake:
[De veroordeelde]
1. De Rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 23 oktober 2007 het door de veroordeelde op de voet van art. 575, derde lid, Sv aangetekende verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ongegrond verklaard.
2. Namens veroordeelde heeft mr. P.P. Klokkers, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3. Aan een bespreking van het middel kom ik niet toe gelet op het volgende.
4. Ingevolge art. 575, derde lid, Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevinden zich geen stukken waaruit kan volgen dat aan de verplichting tot consignatie is voldaan en evenmin blijkt dat de veroordeelde op haar desbetreffende verplichting is gewezen. Hierop is namens mij bij brief van 27 mei 2009 aan de Griffier van de Rechtbank Amsterdam verzocht om nadere inlichtingen. Voor het geval geen consignatie zou hebben plaatsgevonden is de Griffier verzocht om ervoor zorg te dragen dat de veroordeelde alsnog de gelegenheid zou worden geboden tot zekerheidstelling.(1) Na een rappèl is op 13 juli 2009 een emailbericht van de Griffier van de Rechtbank Amsterdam ingekomen dat in de kern erop neerkomt dat er geen stappen zijn ondernomen met betrekking tot de verplichting tot consignatie. Evenmin blijkt dat veroordeelde alsnog in de gelegenheid is gesteld om het nog verschuldigde bedrag en al de kosten te betalen(2), zodat thans een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep niet kan volgen.
5. Gelet op het vorenstaande concludeer ik dat de Hoge Raad in een tussenbeschikking zal bepalen dat de veroordeelde alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld aan haar verplichting tot consignatie te voldoen door binnen een door de Hoge Raad te stellen termijn alsnog het nog verschuldigde bedrag en al de kosten te voldoen aan de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam en dat iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.(3)
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie de in afschrift bij de stukken gevoegde brief van 27 mei 2009 aan mr. M.H. Ettema.
2 Zie het uitgeprinte emailbericht van 13 juli 2009.
3 Zie ook HR 15 mei 2001, LJN AB1597 en vgl. HR 4 november 1997, LJN ZD9654. In het eerstgenoemde geval heeft de Griffier van de Hoge Raad de betrokkene de gelegenheid tot zekerheidstelling geboden, in het andere geval werd daarvoor de Griffier van (toen) het Hof aangewezen. De laatste oplossing lijkt mij te verkiezen omdat mededeling en ontvangst (en controle van) de betaling in een hand blijven.