ECLI:NL:PHR:2009:BJ7237

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13017
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 132 SrArt. 10 EVRMArt. 261 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens bedreiging en opruiing met beperking vrijheid van meningsuiting

De zaak betreft een veroordeling van verdachte wegens bedreiging en opruiing jegens de toenmalige minister-president J.P. Balkenende. Verdachte plaatste op zijn website teksten waarin werd gesproken over een standrechtelijke executie van Balkenende, wat door het hof werd gekwalificeerd als bedreigend en opruiend. Verdachte voerde aan dat het ging om een politieke uiting die beschermd zou zijn door de vrijheid van meningsuiting, maar het hof oordeelde dat de uitlatingen niet als bijdrage aan het publieke debat konden worden gezien.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de bedreiging van dien aard was dat bij Balkenende redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen. Daarbij speelde de context van de aanloop naar verkiezingen en de politieke moord op Pim Fortuijn een rol. Ook werd geoordeeld dat opruiing niet vereist dat het strafbare feit dat wordt opgeruid daadwerkelijk zal plaatsvinden, noch dat het publiek de woorden volledig moet begrijpen.

Het beroep op artikel 10 EVRM Pro (vrijheid van meningsuiting) werd verworpen omdat de bedreigende en opruiende aard van de uitlatingen zwaarder woog dan het recht op vrije meningsuiting. De Hoge Raad stelde ambtshalve de proeftijd van de opgelegde straf vast op twee jaar in plaats van drie, conform wettelijke voorschriften. De overige middelen van cassatie werden verworpen.

Uitkomst: Veroordeling wegens bedreiging en opruiing met proeftijd ambtshalve teruggebracht tot twee jaar.

Conclusie

Nr. 07/13017
Mr Jörg
Zitting 8 september 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam wegens bedreiging en opruiïng veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur 6 middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat uit de bewezenverklaarde bedreiging niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
4. Bewezen is verklaard:
"Dat [verdachte] in de periode van 24 oktober 2006 tot en met 27 oktober 2006 in Nederland J.P. Balkenende heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk op zijn website genaamd www.[...].nl de volgende tekst geplaatst: "Liquidatie Balkenende dreigt. In de kringen van de redactie van [...].nl wordt openlijk over de dood van Jan Peter Balkenende gesproken. Hoewel eigenrichting afgekeurd moet worden, is de standrechtelijke executie van Jan Peter Balkenende misschien wel de verstandigste beslissing. Hoe anders kan worden voorkomen dat Balkenende zich na de verkiezingen van 22 november 2006 voldoende gesteund voelt om de volgende 650.000 Irakezen te endlösen."
5. In een nadere bewijsoverweging heeft het hof overwogen:
"De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de bewoordingen van de door verdachte op internet geplaatste tekst zoals onder 1 tenlastegelegd noch op zichzelf noch in hun context bezien, kunnen worden gekwalificeerd als bedreiging in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht, aangezien bij Balkenende redelijkerwijs geen vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen. Verdachte heeft met de op zijn internetsite geplaatste teksten slechts (uit politieke motieven) duidelijk willen maken dat hij Balkenende verantwoordelijk houdt voor de 650.000 doden in Irak en dat Balkenende terzake zou moeten worden vervolgd. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken
Het hof verwerpt dit verweer. Het hof is van oordeel dat de onderhavige tekst van dien aard is en dat deze bedreiging is geschied onder zodanige omstandigheden dat bij de heer Balkenende de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen. Tot die omstandigheden waaronder de bedreiging is geschied, rekent het hof de aanloop naar de verkiezingen van 22 november 2006 en de herinnering aan de verkiezingen van mei 2002 tegen de achtergrond van de (politieke) moord op Fortuijn, alsmede verschillende heikele thema's die de gemoederen hoog deden oplopen, zoals de oorlog in Irak. In de namens Balkenende gedane aangifte wordt daarvan ook gewag gemaakt, terwijl het slachtoffer - naar door verdachte is erkend - eerder door verdachte is bedreigd. Nu verdachte welbewust wederom zijn verbale agressie op het slachtoffer heeft gericht, acht het hof diens vrees het leven te verliezen alleszins gerechtvaardigd en acht het hof de wil van verdachte - en daarmee ook - het opzet van verdachte op de bedreiging van het slachtoffer wettig en overtuigend bewezen."
6. Voor zover het middel is gestoeld op de opvatting dat uit de bewijsmiddelen moet worden kunnen afgeleid dat het de verdachte zelf is die het geweld wil toepassen, is dat een eis die geen steun vindt in het recht.
7. Het hof heeft geoordeeld dat de door verzoeker op het internet geplaatste tekst van dien aard is en geschied onder zodanige omstandigheden dat bij de heer Balkenende de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De door het hof vastgestelde context, het politieke klimaat, het feit dat Pim Fortuijn vanwege zijn politieke opvattingen een paar jaar eerder is doodgeschoten en het feit dat de deelname van Nederland aan de oorlog in Irak een heikel thema vormde in de Nederlandse maatschappij, maken het oordeel ook niet onbegrijpelijk. Deze omstandigheden zijn bovendien aan te merken als feiten van algemene bekendheid en behoeven derhalve geen bewijs. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
8. Het tweede middel behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de standrechtelijke executie van de heer J.P. Balkenende redelijkerwijs is te verwachten. Ik begrijp het middel aldus dat het is gebaseerd op de veronderstelling dat het redelijkerwijs te verwachten moet zijn dat het feit waartoe is opgeruid zich zal voltrekken.
9. Die veronderstelling - die overigens niet in feitelijke aanleg is aangevoerd- is niet juist. Opruiïng is het aanzetten tot enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen de overheid. Of, zoals door Fokkens in NLR, aant. 1b bij art. 131 Sr Pro is omschreven:
"opruiïng is veeleer het opwekken van de gedachte aan enig feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het verlangen op te wekken om het in het leven te doen treden."
Opruiïng is een commissiedelict. Of het feit waartoe opgeruid is op de opruiïng volgt is onverschillig. Zo maakt het voor de strafbaarheid ook niet uit dat het publiek de woorden niet volkomen begrijpt (NLR, aant. 5 bij art. 131 Sr Pro). Of er opgeruid is hangt er van af of de woorden zodanig zijn dat iemand er door tot dat feit gebracht zou kunnen worden. 's Hofs oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van opruiïng getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
10. Het derde middel klaagt over 's hofs verwerping van het beroep op art. 10 EVRM Pro, de vrijheid van meningsuiting.
11. Het hof heeft het bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde - subsidiair - aangevoerd dat verdachte met de onderhavige teksten een politiek waardeoordeel naar voren heeft willen brengen, zodat hem een gerechtvaardigd beroep op vrijheid van meningsuiting, als bedoeld in artikel 10 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) toekomt. Verdachte heeft aangevoerd dat hij met de onderhavige teksten via het internet anderen heeft willen informeren over de (gevolgen van de) Nederlandse deelname aan de oorlog in Irak om daarmee een kritische bijdrage te leveren aan het publieke debat. Daarnaast heeft verdachte de toenemende vijandigheid en wraakgevoelens die dit beleid in de samenleving teweeg heeft gebracht willen weergeven en heeft hij Balkenende willen waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van het Nederlandse beleid inzake Irak.
Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.
Het recht op vrijheid van meningsuiting is een belangrijke verworvenheid in de samenleving. Het geeft een ieder in beginsel het recht in vrijheid uiting te geven aan zijn of haar (al dan niet politieke) opvattingen.
Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat het publieke debat op het scherpst van de snede gevoerd moet kunnen worden, hetgeen meebrengt dat door de autoriteiten beperkingen daarvan met de grootste mogelijke terughoudendheid moeten worden toegepast en steeds opnieuw in het licht van artikel 10, tweede lid, EVRM dienen te worden beoordeeld. Ten aanzien van het handelen van verdachte is het hof evenwel van oordeel dat hij zich niet heeft beperkt tot het plaatsen van zeer kritische kanttekeningen bij het regeringsbeleid, maar zich tevens in bedreigende en opruiende bewoordingen uitgelaten over de persoon Balkenende. Naar het oordeel van het hof kunnen die uitlatingen, anders dan vele andere onderdelen van de door verdachte gepubliceerde teksten, redelijkerwijs niet worden beschouwd als een bijdrage aan het publiek debat. Bij deze stand van zaken moet worden geconcludeerd dat door de handelwijze van verdachte een inbreuk op zijn recht op vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is, nu deze noodzakelijk is in het belang van het voorkomen van strafbare feiten. Het hof verwerpt derhalve het verweer."
12. Recentelijk heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de zaak van "Reisbureau Rita", HR 16 juni 2009, LJN: BG7750 waarin het misdrijf smaadschrift als neergelegd in art. 261, tweede lid Sr werd afgezet tegen de vrijheid van meningsuiting. De Hoge Raad stelde voorop:
"Een beperking van het recht van vrije meningsuiting kan ingevolge art. 10, eerste lid, EVRM gerechtvaardigd zijn voor zover die beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dat wil zeggen dat voor die beperking een dringende maatschappelijke noodzaak ("pressing social need") moet bestaan. Of hiervan sprake is dient beoordeeld te worden aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt het in een geval als het onderhavige vooral aan op aan de feitenrechter voorbehouden oordelen omtrent de inhoud, de aard en de strekking van het desbetreffende geschrift. Die oordelen kunnen in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst."
13. In 's hofs oordeel dat het debat op het scherpst van de snede gevoerd moet worden en dat zeer kritische kanttekeningen bij het regeringsbeleid geplaatst moeten kunnen worden ligt besloten dat daaronder mede moeten worden begrepen uitlatingen met een ridiculiserend karakter of, zoals door de steller van het middel aangeduid, als een zogenoemde "politieke cartoon". In zoverre heeft het hof gerespondeerd op het betoog dat de uitlatingen van verzoeker een zekere provocatie of overdrijving behelsden. Het oordeel van het hof dat in dit geval niet gesproken kan worden van een stijlvorm waarbij de overdrijving of de satire een zeker doel dient, is niet onbegrijpelijk. Ik verwijs daartoe naar de nog steeds in de lucht zijnde site "[...].nl" welke site zichzelf omschrijft als "de onafhankelijke verkiezingen advies en informatie site van Nederland". Een satirische of ridiculiserende toonzetting kan ik op de site niet ontwaren.
14. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
15. Het vierde middel klaagt over 's hofs afwijzing J.P. Balkenende als getuige op te roepen.
16. Het hof heeft de afwijzing als volgt gemotiveerd:
"Het verzoek is gebaseerd op de opvatting dat de louter subjectieve beleving van de heer J.P. Balkenende doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of ten deze sprake is van bedreiging. Die opvatting is onjuist, aangezien bepalend is of de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gedaan dat deze in het algemeen vrees kan opwekken. Voor wat betreft de vermeende hetze tegen de verdachte van de kant van de heer J.P. Balkenende is het hof van oordeel dat de getuigenis van de heer J.P. Balkenende daaromtrent niet van belang is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing."
17. Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat niet doorslaggevend is of bij de bedreigde daadwerkelijk de vrees is ontstaan: daarentegen wel dat de bedreiging van dien aard moet zijn en onder zulke omstandigheden gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke - dus los van de hoogst persoonlijke ervaring - vrees kan opwekken. Daarom is 's hofs afwijzing van het verzoek om Balkenende als getuige op te roepen rechtens niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.
18. Het vijfde middel houdt primair in dat het hof ten onrechte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten niet als enige strafbepaling art. 132 Sr Pro heeft toegepast. Dat is juist. Ik begrijp het middel aldus dat het er verder over klaagt dat het hof niet een van de artikelen 55, 56 of 57 Sr als toepasselijk wettelijk voorschrift heeft vermeld. Dit laatste is ook juist.
19. Het oordeel van het hof is niet voor misverstand vatbaar, aangezien het hof in de rubriek `Strafbaarheid van het bewezenverklaarde' de bewezen feiten heeft gekwalificeerd als eendaadse samenloop van bedreiging en opruiïng. Uw Raad kan de rubriek `Toepasselijke wettelijke voorschriften' verbeterd lezen door daaraan toe te voegen `55' en weg te schrappen `285' als de in casu niet toepasselijke strafbepaling met de lichtste strafbedreiging. Aangezien de opgelegde straf beneden het toepasselijk strafmaximum is gebleven ontbeert de klacht verder enig belang.
20. Het middel faalt.
21. Het zesde middel dat klaagt over de duur van de opgelegde proeftijd is terecht voorgesteld. Het hof heeft de proeftijd vastgesteld op drie jaar. Ingevolge art. 14b, tweede lid Sv is de proeftijd wanneer geen bijzondere voorwaarde is opgelegd maximaal twee jaar. Nu het hof klaarblijkelijk de maximale proeftijd heeft willen opleggen kan de Hoge Raad de proeftijd
ambtshalve vaststellen op twee jaar.
22. De middelen 1 tot en met 5 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende verkorte motivering. Het terechte middel 6 heeft wel enige consequenties voor het bestreden arrest. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest maar slechts voor zover daarin de proeftijd op drie jaar is gesteld en tot de ambtshalve vermindering daarvan door uw Raad tot twee jaar, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G