ECLI:NL:PHR:2009:BJ3725

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04615
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 13 OpiumwetArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste strafoplegging bij opzettelijk Opiumwetdelict

Het gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot vijf weken hechtenis wegens medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met verboden uit de Opiumwet. Tevens werd het inbeslaggenomen geldbedrag van €16,- aan de verdachte teruggegeven.

Namens de verdachte werd cassatie ingesteld tegen de strafoplegging. De advocaat voerde aan dat voor een opzettelijk begaan Opiumwetdelict geen hechtenis kan worden opgelegd, omdat deze straf is voorbehouden aan niet-opzettelijke overtredingen van de Opiumwet.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel slaagt. De strafoplegging is onjuist omdat hechtenis niet passend is bij een opzettelijk Opiumwetdelict. Daarnaast is de motivering van de straf onvoldoende, aangezien het hof niet heeft voldaan aan de motiveringsvereisten van artikel 359, zesde lid, Sv.

De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en afdoening van het hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd wegens onjuiste oplegging van hechtenis bij een opzettelijk Opiumwetdelict en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. S 08/04615
Zitting 7 juli 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker bij arrest van 25 augustus 2008 wegens 1. medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2 onder Pro B Opiumwet gegeven verbod en 2. opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder Pro C Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot vijf weken hechtenis. Voorts heeft het hof de teruggave gelast aan verzoeker van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 16,-.
2. Namens verzoeker heeft mr. V.G. Kraal, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Het middel klaagt - kort gezegd - over de strafoplegging.
4. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof de opgelegde vrijheidsstraf als volgt gemotiveerd:
"Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 5 (vijf) WEKEN.
(...)
Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het feit, mede gelet op de persoon van de verdachte, zijn draagkracht en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierboven vermelde straf passend en geboden."
5. Het middel slaagt. Voor een opzettelijk begaan Opiumwetdelict - zoals in casu bewezenverklaard - kan geen hechtenis worden opgelegd; deze straf is voorbehouden voor de niet-opzettelijke vormen van drugsdelicten: de overtredingen (art. 10, eerste lid; art. 11, eerste lid; art. 13, eerste lid, Opiumwet).
6. Bovendien schiet de strafmotivering tekort - zo merk ik ambtshalve op - aangezien het hof de keuze voor deze vrijheidsstraf niet in overeenstemming met het bepaalde in art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder heeft gemotiveerd.
7. Verdere ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G