ECLI:NL:PHR:2009:BJ3682

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01992
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring van verkrachting door feitelijke dwang

In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte het slachtoffer door feitelijke dwang heeft gedwongen tot seksuele handelingen. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer, die in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde door vrijwillig drugsgebruik, had opgesloten in een badkamer en haar had gedwongen tot orale seks als tegenprestatie voor verstrekte cocaïne.

De verdediging voerde onder meer aan dat het slachtoffer vrijwillig handelde en dat de verklaringen van een getuige onvoldoende waren gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat de waardering van bewijsmateriaal aan het hof toekomt en dat het feit dat het slachtoffer zichzelf in een staat van bewusteloosheid bracht geen vrijbrief is voor seksuele handelingen zonder toestemming.

Het hof had bovendien terecht geoordeeld dat het opsluiten van het slachtoffer in de badkamer en het afdwingen van seksuele handelingen geen vrijwillige keuze was. De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde het vonnis, waarbij verdachte was veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Deze uitspraak onderstreept dat feitelijke dwang, zoals opsluiting en het afdwingen van seksuele handelingen, ook bij vrijwillig drugsgebruik van het slachtoffer strafbaar is als verkrachting.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor verkrachting door feitelijke dwang met een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Conclusie

Nr. 08/01992
Zitting: 7 juli 2009 (bij vervroeging)(1)
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 3. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 4 subsidiair "medeplegen van met iemand van wie hij weet dat zij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" en 5 primair "verkrachting" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander op de wijze als in het arrest omschreven.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 08/00178, 07/12272 en 08/01992. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. R.F. Speijdel, advocaat te Enschede, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel klaagt dat het Hof voor de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde zonder toereikende motivering gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van [getuige 1], nu de betrouwbaarheid van die verklaringen in het geding is.
5. Het middel kan niet tot cassatie leiden, nu het miskent dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De beslissingen in dat verband behoeven, behoudens bijzondere gevallen die zich hier niet voordoen, geen motivering en kunnen in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(2)
6. Het middel faalt.
7. Het tweede middel klaagt dat het de omstandigheid dat het slachtoffer in een staat van "bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht" verkeerde, zoals het Hof onder 4 subsidiair bewezen heeft verklaard, niet aan de verdachte kan worden tegengeworpen, nu het slachtoffer op de bewuste avond geheel vrijwillig drugs heeft gebruikt.
8. Het middel berust op de misvatting dat de omstandigheid dat iemand zichzelf in een staat van "bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht" heeft gebracht, een vrijbrief zou zijn voor het verrichten van handelingen bestaande in het seksueel binnendringen van het lichaam van die persoon.
9. Het middel faalt.
10. Het derde middel klaagt dat onbegrijpelijk is dat het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte het slachtoffer door feitelijkheden heeft gedwongen, zoals het Hof onder 5 primair bewezen heeft verklaard. Daartoe wordt aangevoerd dat geen sprake was van een feitelijkheid, nu het de vrijwillige keuze van het slachtoffer(3) was de door de verdachte geleverde drugs aan hem te vergoeden door een seksuele dienst in plaats van de verdachte voor die drugs te betalen.
11. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, heeft het Hof ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2004 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), door feitelijkheden [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 7], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de mond van [slachtoffer 7] gebracht en zich vervolgens door [slachtoffer 7] laten pijpen en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte:
- [slachtoffer 7] gratis cocaïne heeft verstrekt en
- [slachtoffer 7] heeft meegenomen naar de badkamer van de woning waar verdachte en [slachtoffer 7] zich op dat moment bevonden en vervolgens de badkamerdeur heeft afgesloten, en
- tegen [slachtoffer 7] heeft gezegd dat zij drugs van hem, verdachte, had gekregen en hij, verdachte, een tegenprestatie wilde".
12. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houden de gebezigde bewijsmiddelen in:
"15. Het als bijlage bij het ambtelijk verslag van 25 april 2006, gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 3], brigadier van politie Twente, district Minot afdeling Justitiële Zaken, en [verbalisant 4], brigadier van politie Twente, district Noordwest Twente, afdeling Justitiële Zaken, opgemaakte proces-verbaal van 16 februari 2006, (ordner 03 [verdachte], Zaaksdossier [slachtoffer 7], pagina 8212 e.v.) voorzover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 7] zakelijk weergegeven:
(...)De opdringerige jongen heeft mij op een slinkse manier de badkamer ingewerkt. Ik weet nog dat ik met hem in de badkamer stond en dat hij eigenlijk direct de deur op slot deed. Ik voelde me toen direct erg in het nauw gedreven en had ook gelijk het gevoel dat ik geen kant meer op kon. Het was voor mij wel duidelijk dat ik niet eerder van die jongen af was dan dat hij kreeg wat hij wilde hebben. Ik was op dat moment erg bang. Ik kon geen kant op. Het was voor mij duidelijk dat hij de tongzoen in de slaapkamer onvoldoende vond en dat hij meer van mij op seksueel gebied verlangde. Hij zei dat ik drugs van hem had gekregen en dat ik wat moest doen als tegenprestatie. Het minste wat ik voor hem doen kon was hem pijpen. De jongen deed zelf zijn broek en boxershort tot ongeveer zijn knieën naar beneden. Ik heb hem laten merken dat ik hem niet uit vrije wil ging pijpen. Dat weet ik zeker. Ik heb namelijk tegengestribbeld. De jongen zei wat ik moest doen. Hij zei: "maak mijn piemel stijf en trek hem af'. Dit heb ik vervolgens gedaan. Daarna zei hij tegen mij: "pijp me". Ik heb toen zijn piemel in mijn mond genomen. Ik kon voor mijn gevoel geen kant op."
13. 's Hofs oordeel dat de verdachte het slachtoffer door een feitelijkheid heeft gedwongen en het seksuele binnendringen derhalve geen vrijwillige keuze was, is niet onbegrijpelijk. Het middel gaat er immers geheel aan voorbij dat de verdachte het slachtoffer in de badkamer had opgesloten.
14. Het middel faalt.
15. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Het cassatieberoep is ingesteld op 14 september 2007.
2 HR 1 april 2003, NJ 2003, 553, rov. 3.3, HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.8.1.
3 Althans, ik neem aan dat het middel - dat stelt dat het "de eigen keuze van rekwirant" was - het slachtoffer op het oog had.