ECLI:NL:PHR:2009:BJ2779

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13091
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 SrArt. 5 Wet conflictenrecht huwelijk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid van buitenlands huwelijk bij beoordeling bigamie

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling voor bigamie, waarbij de kernvraag was of verdachte in 1988 een rechtsgeldig huwelijk had gesloten in Marokko. Het hof had geoordeeld dat het huwelijk sinds 1988 bestond en dat verdachte in 1998 bij het sluiten van een tweede huwelijk in Nederland reeds gehuwd was. Dit oordeel kon in cassatie niet worden getoetst op de uitleg van buitenlands recht.

De verdediging voerde aan dat het huwelijk pas in 2005 wettelijk was geworden en dat verdachte in 1998 niet wist dat hij gehuwd was. Het hof verwierp dit verweer op basis van een notariële akte uit 2002 waarin getuigen bevestigen dat het huwelijk sinds 1988 bestond, en een vonnis van een Marokkaanse rechtbank dat deze akte erkent.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht het huwelijk als wettig heeft aangemerkt, omdat het volgens het recht van de staat waar het huwelijk werd gesloten rechtsgeldig was. De cassatie klaagsgronden faalden, en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte sinds 1988 wettig gehuwd was en veroordeelt hem voor bigamie wegens het sluiten van een tweede huwelijk in 1998.

Conclusie

Nr. 07/13091
Mr Machielse
Zitting 23 juni 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 16 oktober 2007 voor "bigamie" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
2. Mr. J.G. Brands, advocaat te Groningen, heeft cassatie ingesteld en mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de bewezenverklaring is gekomen.
3.2. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 24 december 1998, in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, opzettelijk, hoewel hij wettig gehuwd was met een vrouw, te weten [betrokkene 1], een dubbel huwelijk heeft aangegaan met een vrouw, te weten [betrokkene 2]."
3.3. Volgens de steller van het middel is het huwelijk met [betrokkene 1] pas in 2005 geformaliseerd en is het huwelijk pas toen wettelijk geworden als gevolg waarvan verdachte toen hij in 1998 in het huwelijk trad niet wettig gehuwd was. Volgens de steller van het middel is dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt strijdig met de bewezenverklaring en wordt dit niet weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
3.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman in hoger beroep op dit punt voor zover van belang het volgende aangevoerd:
"(...) In het vonnis van de politierechter is met een grote sprong over het opzet en de jaartallen heen gegaan. Het staat pas sinds 2005 vast dat er in 1988 een huwelijk was. Uit het dossier in eerste aanleg blijkt mijns inziens voldoende dat er in 1988 geen huwelijk is gesloten. De vraag die ter beantwoording voor ligt is of er opzet was en of er in 1988 in Marokko een huwelijk is gesloten. Ik heb mevrouw Rutten als getuige-deskundige om informatie gevraagd. Zij is één van de drie experts in Nederland op dit gebied. Ik heb haar gevraagd of er in 1988 sprake was van een huwelijk in de zin van hetgeen de wetgever voor ogen had bij het strafbaar stellen van bigamie. Mevrouw Rutten heeft hierover gezegd dat, zo er in 1988 een huwelijk heeft plaatsgevonden, dit niet voldeed aan de eisen van de Mudawannah.
Het dossier bevat verklaringen van getuigen die hebben gezegd dat mijn cliënt en [betrokkene 1] in een bepaalde periode hebben samengewoond terwijl dat voor die periode beslist niet juist is. Het feit dat er gesproken wordt van een bruidschat kan hoogstens duiden op een kerkelijk huwelijk, niet op een wettig huwelijk. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat er maar wat gezegd is."
3.5. Het hof heeft hieromtrent het volgende overwogen:
"Namens verdachte is het verweer gevoerd dat het opzet op het aangaan van een dubbel huwelijk met [betrokkene 2] in 1998 ontbreekt. Daartoe is aangevoerd dat verdachte op dat moment, dus in 1998, niet wist dat hij reeds was gehuwd, daar eerst in 2005 is komen vast te staan dat de ceremonie die in 1988 tussen verdachte en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden is aan te merken als een geldig huwelijk.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verdachte zich op 2 oktober 2003 heeft gemeld bij een ambtenaar van de gemeente Hoogezand teneinde zijn buitenlandse huwelijk te laten registreren. In de aangifte is vermeld dat het gaat om het registreren van een huwelijk gesloten in 1988.
Uit twee bij het dossier gevoegde bijlagen blijkt uit volgende:
- In 2002 heeft verdachte een notariële akte laten opmaken ter bevestiging van het in 1988 gesloten huwelijk tussen verdachte en [betrokkene 1]. In deze akte is vermeld dat door twaalf getuigen wordt bevestigd dat het huwelijk sedert 1988 heeft bestaan en dat de huwelijksbanden niet verbroken zijn.
- In 2005 is de notariële akte door de rechtbank te Nador, Marokko, op verzoek van verdachte en [betrokkene 1] erkend en is daarmee het bestaan van een -eerder- gesloten huwelijk naar Marokkaans recht bevestigd. In het vonnis van de rechtbank is vermeld dat de raadsman aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd dat verzoekers echtelieden zijn en dat een en ander blijkt uit eerdergenoemde notariële akte.
Het hof stelt vast dat verdachte zich in 2002 tot de Marokkaanse autoriteiten heeft gewend teneinde zijn eerder -in 1988- gesloten huwelijk te laten registreren en niet, zoals hij stelt, om in 2002 een huwelijk te sluiten. Derhalve heeft hij in 1998 bij het sluiten van zijn huwelijk in Nederland geweten van het feit dat hij eerder -in Marokko- gehuwd was.
Het hof verwerpt derhalve het verweer."
3.5. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van het hof, verweven als het is met aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van feitelijke aard, in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Het hof heeft de vaststelling van het bestaan van het huwelijk kennelijk gebaseerd op het volgende:
(i) de notariële akte d.d. 9 december 2002 met onderwerp ' bevestiging van huwelijk' (bewijsmiddel 3);
(ii) het vonnis van de rechtbank van Nador in Marokko (bewijsmiddel 4), inhoudende dat de akte tot erkenning door het Marokkaanse recht is toegelaten als bewijs van het bestaan van het huwelijk.
Gelet op de inhoud van bewijsmiddel 2, te weten een huwelijksakte tussen verdachte en [betrokkene 2] d.d. 24 december 1998 en gelet op de inhoud van bewijsmiddel 1 houdende de constatering van een ambtenaar van de afdeling Burgerzaken van de gemeente Hoogezand-Sappemeer dat verdachte tijdens het huwelijk dat hij in Nederland is aangegaan op 24 december 1998 nog getrouwd was met een vrouw uit Marokko, heeft het hof deze door de ambtenaar getrokken conclusie, dat verdachte sinds 1988 wettig getrouwd is met [betrokkene 1] en zodoende in 1998 een tweede huwelijk is aangegaan, overgenomen. In zoverre volgt het bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen.
3.6. Het hof is uitgebreid gemotiveerd ingegaan op het verweer van de verdediging en heeft kennelijk geoordeeld dat het bewijs van het bestaan van het huwelijk sinds 1988 in 2002 is geleverd middels de opgemaakte notariële akte en bevestiging daarvan door het vonnis van de Marokkaanse rechter. Daarmee heeft het hof in aanmerking genomen dat de vraag in hoeverre het huwelijk als wettig bestaande moet worden aangemerkt, dient te worden beantwoord naar de wet van het land waar het gesloten is, overeenkomstig het eerste lid van artikel 5 van Pro de Wet conflictenrecht huwelijk van 7 september 1989, Stb. 392 dat als volgt luidt:(1)
"Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de Staat waar van de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend."
Centraal bij de erkenning van een in het buitenland gesloten huwelijk staat de vraag of het huwelijk is gesloten door (i) een bevoegde instantie (bijvoorbeeld de burgerlijke stand of andere (burgerlijke of religieuze) autoriteit en (ii) dat is geschied overeenkomstig het recht van de staat waar het huwelijk plaatsvond. Daarbij geldt dat het begrip 'recht' ook ongeschreven (gewoonte)recht omvat en de 'huwelijksvoltrekking' een ruim toepassingsgebied omvat waarbij ook zogenaamde traditionele huwelijken, huwelijken die op informele wijze worden gesloten zonder dat deze (van overheidswege) zijn geregistreerd, uitdrukkelijk niet van erkenning zijn uitgesloten. Voorts dient het huwelijk rechtsgeldig te zijn gesloten, naar de volgens het buitenlands recht geldende materiële vereisten. Gelet op de jurisprudentie over de Marokkaanse akte van huwelijksbevestiging - zoals de akte weergegeven in bewijsmiddel 3 - lijkt deze aan bovengenoemde eisen te voldoen: de Nederlandse rechtspraak biedt steun aan de opvatting dat een dergelijke akte van huwelijksbevestiging gelijk staat aan een gewone huwelijksakte.(2)
3.7. In het oordeel van het hof ligt eveneens enerzijds besloten dat aan bovenstaande vereisten is voldaan, in aanmerking genomen het vonnis van de Marokkaanse rechter dat de in 2002 opgemaakte akte als geldig bewijs kan worden aangemerkt voor het bestaan van het huwelijk, anderzijds dat er kennelijk geen gronden bestaan die zich verzetten tegen erkenning van het huwelijk uit 1988.(3) Het oordeel van het hof dat het huwelijk van meet af aan als wettig huwelijk kan worden beschouwd en dat verdachte in 1998 bij het sluiten van zijn huwelijk in Nederland zodoende al gehuwd was, getuigt daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De uitleg door de steller van het middel van de inhoud van deze documenten, dat daaruit alleen maar blijkt van een erkenning van het huwelijk met ingang van 9 december 2002 miskent de inhoud van de akte tot bevestiging van het huwelijk, waarin duidelijk te lezen dat is dat de getuigen het bestaan van het huwelijk sinds 1988 hebben bevestigd. Het hof was niet gehouden nog uitgebreider op dit punt te motiveren. Evenmin is het gevoerde verweer ten onrechte of op onjuiste of ontoereikende gronden verworpen.
Voorzover het middel nog de strekking heeft te betogen dat het opzet van verdachte niet erop was gericht dat hij een dubbel huwelijk zou aangaan en dat hij in 1998 in de mening verkeerde dat hij in Marokko niet was gehuwd, wordt dit duidelijk weersproken door bewijsmiddel 3 waarin de getuigen op grond van hun kennis en wetenschap en hun relatie met de twee echtelieden hebben verklaard dat het huwelijk sinds 1988 heeft bestaan. Het is dermate onwaarschijnlijk dat de verdachte hier geen weet van zou hebben gehad dat het hof deze stelling zonder nadere motivering heeft kunnen passeren.
4. Het voorgestelde middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. het op 14 maart 1978 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken (Trb.1987, 137).
2 Vgl. aantekening 9 bij artikel 5 Wet Pro conflictenrecht huwelijk. Rb. Rotterdam 12 juli 1976, NJ 1978, 133; Rb. Rotterdam 28 juli 1975, NJ 1976, 478; Rb. Arnhem 1 mei 1980, NJ 1981, 94.
3 Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien erkenning van het in het buitenland gesloten huwelijk in strijd zou zijn met de openbare orde (art. 6 Wet Pro conflictenrecht huwelijk).