ECLI:NL:PHR:2009:BJ1923
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrek Belgische onroerende voorheffing bij keuze binnenlandse belastingplicht
Belanghebbende, een Nederlandse staatsburger woonachtig in België, werkte in Nederland en koos ervoor om als binnenlands belastingplichtige te worden behandeld volgens artikel 2.5 Wet IB 2001. Hij stelde dat de in België geheven onroerende voorheffing op zijn Belgische woning in mindering moest worden gebracht op zijn Nederlandse belastbare inkomen uit werk en woning.
Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat deze aftrek ten onrechte werd geweigerd door de Inspecteur en verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond. De staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel, waarbij onder meer werd betoogd dat de weigering geen strijd met het EG-recht opleverde.
De Hoge Raad overwoog uitgebreid over de toepassing van artikel 2.5 Wet IB 2001, de werking van het belastingverdrag Nederland-België, de aard van de Belgische onroerende voorheffing en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, waaronder het Schumacker-arrest en latere relevante arresten. De Hoge Raad concludeerde dat de weigering van aftrek van de Belgische onroerende voorheffing niet in strijd is met het EG-recht, mede omdat sprake is van een keuze van belanghebbende voor binnenlandse belastingplicht en dat dubbele heffing in de praktijk wordt voorkomen door het Nederlandse systeem van vermindering en inhaalregeling.
De zaak benadrukt de complexiteit van grensoverschrijdende belastingheffing en de verhouding tussen nationale wetgeving, bilaterale verdragen en Europees recht. De Hoge Raad bevestigt dat binnen de huidige rechtsorde Nederland niet verplicht is om de Belgische onroerende voorheffing als aftrekpost te erkennen, ook niet bij keuze voor binnenlandse belastingplicht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Nederland geen aftrek van de Belgische onroerende voorheffing hoeft toe te staan bij keuze voor binnenlandse belastingplicht.