ECLI:NL:PHR:2009:BJ1709
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid bij vernieling in groepsverband onder oud BW niet bewezen
Eiseres, eigenaresse van een kassencomplex, vordert schadevergoeding voor vernieling van 2.952 ruiten door kinderen van verweerders in april 1991. De rechtbank en het hof oordeelden dat eiseres niet slaagde in haar bewijsopdracht om aan te tonen welk aandeel ieder kind had in de vernielingen en dat groepsaansprakelijkheid onder het vóór 1992 geldende Burgerlijk Wetboek niet bestond.
De rechtbank wees de vorderingen grotendeels af, behalve een beperkte vergoeding voor enkele verweerders die aansprakelijkheid erkenden. Het hof bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep van eiseres, stellende dat niet aannemelijk was dat de vernielingen door één groep kinderen waren gepleegd en dat er mogelijk meerdere groepen betrokken waren.
De Hoge Raad sluit zich aan bij het hof en wijst het cassatieberoep af. Wel merkt de conclusie op dat indien sprake zou zijn van gezamenlijke groepsaansprakelijkheid, hoofdelijke aansprakelijkheid zou kunnen gelden. Dit is echter niet aannemelijk gebleken. De zaak wordt daarmee definitief afgesloten zonder toewijzing van de gevorderde schadevergoeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen hoofdelijke aansprakelijkheid onder oud BW en schadevergoeding beperkt tot erkend aandeel.