ECLI:NL:PHR:2009:BJ1247

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00201
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 81 ROArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie na verkoop echtelijke woning en gewijzigde draagkracht

De moeder verzocht de rechtbank om een verhoging van de kinderalimentatie van €147 naar €350 per maand per kind, met ingang van de verkoopdatum van de echtelijke woning. Zij stelde dat de vader meer draagkracht had vanwege de verkoop en lagere woonlasten door samenwonen met een nieuwe partner.

De rechtbank wees het verzoek gedeeltelijk toe en verhoogde de alimentatie naar €300 per maand per kind. Het hof vernietigde deze beschikking echter op hoger beroep van de vader en handhaafde de eerdere alimentatieverplichting.

De moeder stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof dat zij onvoldoende inzicht had gegeven in haar financiële situatie en haar verzoek onvoldoende had onderbouwd. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevallen oordelen feitelijk zijn en niet met een rechtsklacht kunnen worden bestreden. Ook was het middel dat het hof onbegrijpelijk zou hebben geoordeeld niet gegrond, mede omdat de moeder buiten de procedure stukken had overgelegd.

Omdat geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren, werd het cassatieberoep verworpen. Hiermee bleef de alimentatieverplichting van de vader ongewijzigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de alimentatieverplichting van de vader blijft ongewijzigd.

Conclusie

09/00201
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 26 juni 2009
Conclusie inzake:
[De moeder]
tegen
[De vader]
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Verzoekster tot cassatie, de moeder, heeft de rechtbank Amsterdam bij inleidend verzoekschrift van 11 juli 2007 om wijziging verzocht van de beschikking van het hof te Amsterdam van 12 mei 2005, waarbij - voor zover van belang - is bepaald dat verweerder in cassatie, de vader, aan de moeder voor hun drie minderjarige kinderen een bedrag van € 147,- per maand per kind aan kinderalimentatie dient te betalen.
De moeder heeft daarbij om een verhoging verzocht naar € 350,- per maand per kind met ingang van de datum dat de vader de echtelijke woning heeft verkocht op de gronden dat de vader meer draagkracht heeft na verkoop van de echtelijke woning en lage woonlasten heeft nu hij samenwoont met zijn nieuwe partner.
1.2 De rechtbank heeft bij beschikking van 6 februari 2008 het verzoek gedeeltelijk toegewezen en de beschikking van het hof van 12 mei 2005 in zoverre gewijzigd dat de vader met ingang van 1 augustus 2006 € 300,- per maand per kind zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Op het door de vader ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 14 oktober 2008 de beschikking van de rechtbank van 6 februari 2008 vernietigd.
1.3 Het tijdig(1) door de moeder ingestelde cassatieberoep bevat één middel dat is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 van de beschikking van het hof waarin is geoordeeld dat de moeder in gebreke is gebleven inzicht te verschaffen in haar financiële situatie en dat zij haar verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie onvoldoende heeft onderbouwd.
1.4 Het middel klaagt dat het hof het in zijn beschikking ten onrechte doet voorkomen dat de moeder zich heeft beperkt tot het overleggen van de door het hof genoemde stukken, maar dat zij (haar raadsman) ter zitting echter uitvoerig een weergave van de overgelegde producties heeft verstrekt waardoor de draagkracht en de behoefte van de moeder voor het hof en de vader duidelijk was.
1.5 Het middel faalt.
De aangevallen oordelen van het hof zijn feitelijk en kunnen mitsdien niet met een rechtsklacht worden bestreden.
Voor zover het middel heeft bedoeld te klagen dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, faalt het middel eveneens. De bij brief van 13 augustus 2008 overgelegde producties betreffen de onvertaalde Spaanse stukken die het hof blijkens het proces-verbaal van de zitting van het hof van 28 augustus 2008 buiten de procedure heeft gesteld. Dat zoals het middel betoogt de inhoud ervan ter zitting uitvoerig aan de orde is geweest vindt geen grondslag in het proces-verbaal. Daarnaast
wordt in de pleitnota van de moeder - dat aan het proces-verbaal is gehecht - bij de bespreking van de grieven II en III louter verwezen naar deze producties (1 en 3), zodat onbegrijpelijk is op welk uitvoerige toelichting de moeder doelt. Het middel stuit in zoverre ook af op art. 407 lid 2 Rv Pro. Het (slot)oordeel van het hof dat de moeder haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd is mitsdien niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
1.6 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep worden verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
2. Conclusie
De conclusie strekt verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift tot cassatie is op 13 januari 2009 per fax ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.