ECLI:NL:PHR:2009:BI7318

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00277
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvWet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van StrafvorderingArtikel IV Wet van 5 oktober 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens onjuiste toepassing overgangsrecht

In deze zaak oordeelde het hof dat verdachte niet-ontvankelijk was in het hoger beroep omdat hij niet binnen veertien dagen schriftelijk grieven had ingediend en ook mondeling geen bezwaren tegen het vonnis had opgegeven. Het hof paste daarbij artikel 416 Sv Pro toe zoals dat sinds 1 maart 2007 geldt, terwijl het vonnis in eerste aanleg was gewezen op 10 november 2006, vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging.

De advocaat-generaal stelde dat het hof ten onrechte het nieuwe artikel 416 Sv Pro toepaste zonder rekening te houden met het overgangsrecht, dat bepaalt dat het nieuwe artikel niet van toepassing is op zaken waarin het vonnis in eerste aanleg vóór 1 maart 2007 is gewezen. De Hoge Raad volgt dit standpunt en vernietigt het arrest van het hof.

De zaak wordt terugverwezen naar het hof te 's-Gravenhage voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep op basis van het oude artikel 416 Sv Pro. Hiermee wordt de niet-ontvankelijkverklaring wegens gebrek aan een rechtens te respecteren belang ongedaan gemaakt.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van overgangsrechtelijke bepalingen bij de beoordeling van ontvankelijkheid in hoger beroep en waarborgt dat verdachte een eerlijke procedure krijgt volgens de op het moment van het vonnis geldende regels.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.

Conclusie

Nr. 08/00277
Mr. Bleichrodt
Zitting 9 juni 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De enkelvoudige kamer van het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 4 december 2007 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 10 november 2006, waarbij verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", is veroordeeld ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 900, -, subsidiair 18 dagen hechtenis, met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden en ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 220, -, subsidiair 4 dagen hechtenis.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1 Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
3.2 Het Hof heeft in het bestreden arrest het navolgende overwogen en beslist:
"Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte heeft niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Ook heeft hij niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven.
De advocaat-generaal heeft terstond bij de voordracht gevraagd het vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende te komen tot dezelfde bewezenverklaring en strafoplegging als in eerste aanleg.
Er is sprake van een vonnis d.d. 10 november 2006 en derhalve van voor 1 maart 2007.
De aanwezige raadsman van de verdachte is niet bepaaldelijk gemachtigd. In de zaal is geen publiek aanwezig.
Het hof ziet ambtshalve op grond van de bestudering van het dossier en gehoord de advocaat-generaal geen belang voor een inhoudelijke behandeling van de zaak.
Daarom zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep wegens gebrek aan een rechtens te respecteren belang."
3.3 Het Hof heeft kennelijk het huidige art. 416, tweede lid, Sv toegepast.
3.4. Artikel 416 Sv Pro luidde tot en met 28 februari 2007 als volgt:
"De verdachte die hooger beroep heeft ingesteld, kan onmiddellijk na de voordracht der zaak door den advocaat-generaal mondeling zijne bezwaren tegen het vonnis opgeven."
3.5 Artikel 416 Sv Pro houdt na de inwerkingtreding op 1 maart 2007 van de Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastelegging (stroomlijnen hoger beroep), Stb. 2006, 470 (verder: de Wet), in:
"1. Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend. Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.
(...)
3.6 De Wet bevat als bepaling van overgangsrecht (Artikel IV) dat onder andere het nieuwe art. 416 Sv Pro niet van toepassing is in zaken waarin in eerste aanleg vonnis is gewezen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet. De Wet is - voor zover in dit verband van belang - op 1 maart 2007 in werking getreden.(1)
3.7 In de onderhavige zaak is in eerste aanleg op 10 november 2006 en dus vóór de inwerkingtreding van de Wet vonnis gewezen. Dit betekent dat het nieuwe artikel 416 Sv Pro op de onderhavige zaak niet van toepassing is, zodat het Hof verdachte ten onrechte met toepassing van die bepaling niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep.
3.8 Het middel is terecht voorgesteld.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie Besluit van 10 februari 2007 tot vaststelling van de tijdstippen van inwerkingtreding van de wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (stroomlijnen hoger beroep) (Stb. 470); Stb. 2007, 70.