ECLI:NL:PHR:2009:BI4740

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00471
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens nietigheid door niet-beslissing op aanhoudingsverzoek

In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het rijden zonder verplichte motorrijtuigverzekering en kreeg hij een geldboete en rijontzegging opgelegd. Verdachte en zijn raadsvrouw waren niet aanwezig bij de zitting. De raadsvrouw had tijdig een aanhoudingsverzoek wegens ziekte ingediend, maar het hof heeft dit verzoek niet behandeld. Een raadsheer van het hof bevestigde per e-mail dat het verzoek niet tijdig was ontvangen, hoewel het wel tijdig was verzonden.

De advocaat-generaal concludeert dat het niet beslissen op het aanhoudingsverzoek een procesfout is die nietigheid van het arrest tot gevolg heeft. De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt het bestreden arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het hof of een ander hof voor hernieuwde behandeling en beslissing.

De procedure toont het belang van een correcte en tijdige behandeling van aanhoudingsverzoeken en de gevolgen van interne fouten binnen het gerechtshof. De Hoge Raad benadrukt hiermee het recht op een eerlijk proces en de noodzaak van zorgvuldige procesvoering.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens nietigheid door het niet beslissen op het aanhoudingsverzoek en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 08/00471
Zitting: 19 mei 2009
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden", veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van vier maanden.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met nummers 08/00471, 08/00472 en 08/00473. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. N.H. Fridsma, advocaat te Haarlem, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het Hof in de zaak met parketnummer 23-004755-07 (bedoeld zal zijn: 23-004754-07; whv) ten onrechte niet heeft beslist op het door de raadsvrouw van de verdachte gedane verzoek om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting, dan wel dat het Hof de afwijzing van dit verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat uit een, na het wijzen van het arrest, door de raadsvrouw van een raadsheer uit het Hof ontvangen e-mailbericht kan worden afgeleid dat bedoeld aanhoudingsverzoek vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting door de (secretaresse van de) raadsvrouw is gedaan, maar dat dit verzoek het Hof door een interne fout bij het Hof niet tijdig heeft bereikt.
5. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het proces-verbaal van de zitting van het Hof in:
"De verdachte, [verdachte],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, GBA-adres: [a-straat 1], [woonplaats], is niet verschenen.
De raadsvrouw van de verdachte, mr. N.H. Fridsma, is evenmin ter terechtzitting aanwezig.
De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat achtereenvolgens bij het dagvaarden, drie dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
(...)
Opmerking van de griffier:
Bij brief van 2 januari 2008 heeft de raadsvrouw medegedeeld dat zij wegens ziekte verhinderd was ter terechtzitting te verschijnen, waarvan zij tijdig mededeling zou hebben gedaan. De raadsheer heeft de raadsvrouw per e-mail van 10 januari 2008 geantwoord. Beide documenten bevinden zich in het dossier."
6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van de griffier van het Hof van 13 november 2007 waaruit kan worden afgeleid dat de raadsvrouw van de verdachte zich ten behoeve van de behandeling in hoger beroep als zodanig heeft gesteld.
7. Het aanhoudingsverzoek, zoals dat per fax aan het Hof verzonden zou zijn, bevindt zich niet bij de stukken van het geding. Aan de namens de verdachte ingediende cassatieschriftuur is als bijlage een kopie van een op 21 december 2007 verzonden faxbericht gehecht. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant houdt dat faxbericht in:
"Geachte heer/mevrouw,
In opgemelde zaken verzoek ik u vanwege het feit dat mr Fridsma op dit moment ziek is een aanhouding te verlenen voor de zitting bij de negentiende kamer van 11.03 uur en volgenden van [verdachte].
Op dit moment is er geen kantoorgenoot aanwezig van mr Fridsma die deze zittingen voor haar kan waarnemen. Daarom verzoek ik u een nieuwe datum te bepalen.
Mag ik van u vernemen?
Met vriendelijke groet,
namens mr N.H. Fridsma
(...)
secretaresse"
8. In het dossier bevindt zich een op 10 januari 2008 door een raadsheer uit het Hof aan de raadsvrouw van de verdachte verzonden e-mailbericht. Dit bericht houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:
"Weledelgestrenge Vrouwe,
(...)
In de drie bovenbedoelde zaken van Uw cliënt [verdachte] die op 21 december 2007 te 11.03 uur stonden geappointeerd, heb ik kort na dat tijdstip arrest gewezen.
U en Uw cliënt waren daarbij niet aanwezig.
Bij faxbericht van 21 december 2007, ontvangen te 10.34 uur (derhalve 29 minuten voor aanvang van de zitting) hebt U om aanhouding verzocht wegens ziekte.
Dit bericht heeft mij niet tijdig bereikt. Ware dit wel het geval geweest, dan zou ik de drie zaken hebben aangehouden
(...)".
9. Op grond van laatstgenoemd bericht moet worden aangenomen dat van de zijde van verdachtes raadsvrouw een verzoek tot aanhouding is gedaan als onder 7 beschreven. Het Hof heeft op dit verzoek niet beslist. Dit verzuim heeft nietigheid tot gevolg.(1)
10. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 26 oktober 2004, LJN AR1861, NS 2004, 445.