1. Zie het overzicht van de vaststaande feiten dat het hof in rov. 8.1 van het in cassatie bestreden arrest d.d. 12 juni 2007 geeft.
2. Het hof heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat onder 'draaiuren' is te verstaan de uren dat het contactslot van een heftruck is ingeschakeld en niet slechts de uren dat met de heftruck bewegingen worden uitgevoerd.
3. Zie conclusie van repliek, tevens akte tot vermeerdering van eis d.d. 13 juni 2002, onder 6.
4. Zie ter vergelijking HR 25 februari 1994, NJ 1994, 450. Het arrest ziet op een geval dat tegen een functie-indelingbesluit van een bestuur van een Stichting twee jaren na dat besluit bezwaren worden geuit. De rechtbank acht dit te laat. Naar aanleiding van tegen dit oordeel in cassatie geuite klachten overweegt de Hoge Raad onder meer dat de rechtbank met zijn oordeel het oog heeft gehad op de eisen van de redelijkheid en billijkheid, die partijen bij de uitvoering van arbeidsovereenkomsten jegens elkaar in acht hebben te nemen (rov. 3.6.2), en daarbij in aanmerking heeft genomen dat de Stichting ter ondervanging van de financiële consequenties van een mogelijke indeling in een hogere functiegroep er belang bij had dat eventuele bezwaren tegen een indelingbesluit tijdig kenbaar worden gemaakt (rov. 3.3).
5. De aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid vormen geen tegenpolen. Vanuit de aanvullende werking glijdt men op een zeker moment in de beperkende werking. Zie in dit verband W. Snijders, Beperkende werking, een paradox of een instrument?, WPNR 2007 (6693), i.h.b. blz. 8.
6. Deze benadering wijkt af van die in de rov. 8.6.3 en 8.6.4. In deze rechtsoverwegingen wordt het recht op afrekenen niet enkel afgewezen op grond van de afspraak dat slechts gedurende het jaar volgende op het jaar, waarop de eventueel te verrekenen meeruren betrekking hebben, een afrekening kan plaatsvinden. Het hof verklaart het verschil in benadering niet nader. Het verschil in benadering is overigens toch niet zo groot. Ook in de rov. 8.6.3 en 8.6.4 legt de afspraak van jaarlijkse afrekening veel gewicht in de schaal ten aanzien van de afwijzing van het recht om alsnog meeruren van vóór 2 maart 1997 in te brengen.
7. In zijn tussenvonnis d.d. 12 december 2002 vermeldt de kantonrechter op blz. 3, onder-aan, nog het van ABBV afwijkende standpunt van Lutèce, maar in het eindvonnis d.d. 30 september 2004 acht de kantonrechter op blz. 5, bovenaan, de vordering van ABBV toewijsbaar, waarmee de kantonrechter zich aansluit bij de door ABBV gevolgde wijze van berekening. De kantonrechter ziet daarmee de betwisting van Lutèce van de berekening voor wat betreft het niet compenseren van de meeruren met de minderuren over het hoofd. Dat lijkt de kantonrechter eigenlijk al te doen op blz. 5, onderaan, van genoemd tussenvonnis. Daar merkt hij op, dat Lutèce het door ABBV opgestelde overzicht van de contacturen op zichzelf niet heeft betwist, en refereert hij alleen aan het dispuut over de betekenis van de term 'draaiuren'.
8. De citaten komen voor op blz. 11, respectievelijk 17 van het rapport. Wel verdient aantekening dat de deskundigen uitgaan van 'effectieve uren', waarmee zij bedoelen uren, waarin met heftrucks bewegingen zijn gemaakt, en niet contacturen. Maar dit laatste neemt niet weg dat de uitlatingen van de deskundigen ook betrekking hebben op het vraagstuk van verrekening van meeruren met minderuren.
9. Dit verbod ziet ook op een overtreden van de grenzen van de rechtsstrijd. Zie: Asser Procesrecht/Bakels-Hammerstein-Wesseling van Gent, 4-Hoger beroep, 2009, nr. 123; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 85; Snijders-Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 238.
10. Opmerking verdient nog dat Lutèce in haar memorie van antwoord in incidenteel appel, sub 23, naar aanleiding van grief F ook wijst op het compenseren van een overschrijding van draaiuren van sommige heftrucks met het mindere gebruik van andere heftrucks. Ook hieruit blijkt dat er geen sprake is geweest van een laten varen in appel van het op dit punt in eerste aanleg (conclusie van dupliek) ingenomen standpunt.