ECLI:NL:PHR:2009:BH8583
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM ondanks grensoverschrijding bij aanhouding en bekrachtiging noodverordening
Deze strafzaak betreft de aanhouding van verdachte op Nederlands grondgebied, waarbij zij zich enige tijd op Duits grondgebied bevond, en de daarop volgende procedurele bezwaren tegen de vervolging en de rechtsgeldigheid van een noodverordening. Verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een wettelijk bevel. In cassatie werd betoogd dat de vervolging niet ontvankelijk moest worden verklaard vanwege schending van Duitse soevereiniteit en dat de noodverordening niet rechtsgeldig was bekrachtigd.
De Hoge Raad oordeelde dat hoewel verdachte zich enige tijd op Duits grondgebied bevond, de handelingen werden verricht door Nederlandse ambtenaren die bevoegd waren, en dat een eventuele schending van Duitse soevereiniteit geen schending van verdachtenrechten oplevert die niet-ontvankelijkheid rechtvaardigt. De schending was beperkt en diende slechts te worden geconstateerd zonder gevolgen voor de vervolging.
Daarnaast werd het bezwaar tegen de bekrachtiging van de noodverordening door de Commissaris van de Koningin verworpen. De Hoge Raad stelde vast dat de beslissing op het administratief beroep geen besluit van algemene strekking is waarop de bekendmakingsregels van de Awb van toepassing zijn. Ook het bezwaar dat de ondertekening van de beslissing onrechtmatig was omdat deze door een kabinetschef zonder mandaat was verricht, faalde. De Commissaris stond volledig achter het besluit en de ondertekening voldeed aan de vereisten van artikel 10:11 Awb Pro.
De Hoge Raad verwierp de cassatie en bevestigde daarmee het oordeel van het hof en de politierechter, waarmee de veroordeling van verdachte en de rechtsgeldigheid van de noodverordening stand hielden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling en de rechtsgeldigheid van de noodverordening.