Art. 350 lid 3 sub f FwArt. 288 lid 2 sub b FwArt. 81 ROArt. IV lid 1 Stb. 2007, 222
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw zijn van schuldenaar
In deze zaak is de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) tegen verzoekster aan de orde. Verzoekster was definitief toegelaten tot de regeling, maar op verzoek van de bewindvoerder werd deze beëindigd wegens ernstige misdragingen en het niet voldoen aan de voorwaarden van goede trouw.
Het hof had geoordeeld dat verzoekster door haar verwijtbare gedragingen en de aard en omvang van haar schulden niet te goeder trouw was, waardoor zij ten onrechte was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Dit oordeel werd door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk geacht en behoefde geen nadere motivering.
De Hoge Raad benadrukte dat de toepasselijkheid van de nieuwe wetgeving met de grond voor tussentijdse beëindiging onder art. 350 lid 3 sub f FwPro niet geldt voor schuldenaren die reeds definitief onder het oude recht waren toegelaten, zoals verzoekster. Het hof heeft de maatstaf van goede trouw naar het oude recht juist toegepast en voldoende gemotiveerd.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft in stand.
Conclusie
Nr. 08/04876
Mr. D.W.F. Verkade
Parket 20 maart 2009
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos
Deze WSNP-zaak komt m.i. in aanmerking voor een enigszins verkorte bespreking.
1. Feiten en procesverloop
1.1. Voor de feiten ten aanzien van [verzoekster], voor zover in cassatie van belang, kan verwezen worden naar rov. 4.1, 4.2 en 4.4.2 van het (ten deze niet) bestreden arrest van het hof.
1.2. Bij vonnis van de rechtbank Breda van 3 september 2007 is ten aanzien van [verzoekster] de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.
1.3. Bij vonnis van die rechtbank van 10 juli 2008 is, op verzoek van de bewindvoerder, deze toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd. Van de voorafgaande mondelinge behandeling op 3 juli 2008 is proces-verbaal opgemaakt.
1.4. [Verzoekster] is in hoger beroep gekomen van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank. Van de mondelinge behandeling door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 27 oktober 2008 is proces-verbaal opgemaakt.
Bij arrest van 18 november 2008 heeft het hof het vonnis van 10 juli 2008 bekrachtigd.
1.5. Namens [verzoekster] is tegen dit arrest (tijdig(1)) cassatieberoep ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Ik merk ambtshalve op dat zowel de rechtbank (blad 2, derde alinea van het vonnis van 10 juli 2008) als het hof (rov. 4.4.1 en 4.4) bij de beoordeling van de beëindiging van de schuldsanering tot uitgangspunt hebben genomen de toepasselijkheid van art. 350 FwPro, zoals dat luidt sedert 1 januari 2008, met de daarin nieuw opgenomen beëindigingsgrond van lid 3 sub f :
'3. Een beëindiging bedoeld in het eerste lid geschiedt indien:
(...)
f. feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid; (...).'
Dat is niet juist. Ik verwijs naar (overgangs-)art. IV, lid 1 van de nieuwe wetgeving (Stb. 2007, 222), en ik cursiveer de tweede volzin:
'1. Ten aanzien van schuldenaren op wie de schuldsaneringsregeling voorlopig van toepassing is verklaard, blijft het recht van toepassing zoals het gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, totdat onherroepelijk op het verzoek is beslist. Nadat onherroepelijk is beslist, blijft artikel 350, derde lid, onder f, buiten toepassing.'(2),(3)
Ten aanzien van hen op wie de schuldsaneringsregeling onder het vóór 1 januari 2008 geldende recht definitief van toepassing is verklaard, zoals [verzoekster], geldt dus even bedoelde uitzondering op de onmiddellijke werking.
2.2. Het middel klaagt hier niet over. Het middel gaat impliciet wél uit van toepasselijkheid van het vóór 1 januari 2008 ten deze geldende 'oude' recht; terecht dus.
2.3. Het middel bestrijdt - terecht - niet dat ook onder het 'oude' recht tussentijdse beëindiging van de schuldsanering mogelijk was wegens verzwijging van omstandigheden als die waarvan in rov. 4.2 van 's hofs arrest sprake is (kort gezegd aanzienlijke belastingschulden wegens opzettelijk frauduleuze opgaven omzetbelasting).(4)
2.4. Het middel klaagt wél - naar de kern genomen - dat het hof, nu het geen verplichting doch een bevoegdheid had om de schuldsanering te beëindigen, nader had moeten overwegen waarom het in deze zaak aanleiding zag om daartoe over te gaan, en dat het hof daartoe nadere criteria in overweging had moeten nemen als namens [verzoekster] aangevoerd.(5) Die criteria vat ik hier kortheidshalve samen in de aan Van Schilfgaarde ontleende woorden 'een op prognose gerichte moraliteitstest' (noot onder HR 12 mei 2000, NJ 2001, NJ 2000, 567).
2.5. Het middel faalt. Het hof heeft de ten deze (naar oud recht) toe te passen maatstaf, overeenkomend met de 'goede trouw'-maatstaf van art. 288, lid 2, onder b Fw (oud) niet miskend: het hof verwijst in rov. 4.5 ook naar dat criterium. Het hof heeft zijn oordeel ook genoegzaam gemotiveerd, waaraan een wellicht niet in alle opzichten gelukkige verwijzing naar 'niet relevante casuïstiek' niet kan afdoen.
2.6. Ten aanzien van de maatstaf merk ik op dat, overeenkomstig HR 10 januari 2003, nr. R02/042, NJ 2003, 195 m.nt. PvS, rov. 3.4 '[b]ij de beantwoording van de vraag of de schuldenaar te goeder trouw was, [...] de rechter alle relevante omstandigheden die betrekking hebben op het gedrag van de schuldenaar in verband met het ontstaan of onbetaald laten van schulden, in zijn oordeel [zal] mogen betrekken'. De Hoge Raad overwoog voorts: 'De omstandigheid dat - zoals hier naar het kennelijke oordeel van het Hof het geval is - ernstige misdragingen van de schuldenaar tot gevolg hebben dat deze buiten staat raakt zijn schulden te voldoen, of dat nieuwe schulden zijn ontstaan, kan, mede in verband met de overige omstandigheden van het geval, waaronder met name de verwijtbaarheid van de gedragingen en de aard en omvang van de schulden, grond zijn om aan te nemen dat de schuldenaar niet te goeder trouw was in de zin van voormeld artikel.'
2.7. In de nu voorliggende zaak heeft het hof klaarblijkelijk geoordeeld dat sprake was van zodanig ernstige misdragingen van [verzoekster] waardoor deze buiten staat geraakte zijn schulden te voldoen, in verband met de verwijtbaarheid van die gedragingen en de aard en omvang van de schulden, dat deze grond gaven om aan te nemen dat [verzoekster] niet te goeder trouw was; dat hij daarom ten onrechte was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling; en dat die daarom diende te worden beëindigd.
Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het behoefde, naast hetgeen het hof overwoog in zijn rov. 4.4.2 en 4.4.3 - alsmede rov. 4.5, waarin het hof het oordeel van de rechtbank, onder meer sprekend over 'zeer ernstige feiten en omstandigheden' onderschrijft - geen nadere motivering.
3. Conclusie
Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Binnen acht dagen; art. 351, vijfde lid Fw.
2 Bij Nota van Wijziging (TK 29 942, nr. 8) als volgt toegelicht: '[...] Daarom wordt in het onderhavige voorstel uitgegaan van onmiddellijke werking van de wet, behoudens enkele in artikel IV genoemde artikelen. [...] Nadat de voorlopige toepassing is omgezet in een definitieve toelating, blijft alleen de nieuwe grond voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, artikel 350, derde lid, onder f, buiten toepassing, omdat de toelatingsvoorwaarden van de oude wet van toepassing waren en ook blijven indien tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling feiten en omstandigheden bekend worden die tot afwijzing van het toelatingsverzoek zouden hebben geleid als ze op dat moment bekend zouden zijn geweest.'
3 Vgl. ook HR 5 september 2008, nr. 07/13087, NJ 2008, 479, LJN BD3425, rov. 3.3.1, eerste volzin, en de conclusie van A-G Keus vóór dat arrest onder 2.3.
4 Vgl. (in algemene zin) bijv. (de conclusie voor) HR 12 juli 2002, nr. R01/128, LJN AE2508, JOL 2002, 406 (81 RO) en HR 2 november 2005, nr. R04/136, NJ 2006, 135.
5 Weergegeven op blz. 2, laatste volle alinea, van het cassatieverzoekschrift onder verwijzing naar de MvG.