ECLI:NL:PHR:2009:BH7603
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw zijn van schuldenaar
In deze zaak is de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) tegen verzoekster aan de orde. Verzoekster was definitief toegelaten tot de regeling, maar op verzoek van de bewindvoerder werd deze beëindigd wegens ernstige misdragingen en het niet voldoen aan de voorwaarden van goede trouw.
Het hof had geoordeeld dat verzoekster door haar verwijtbare gedragingen en de aard en omvang van haar schulden niet te goeder trouw was, waardoor zij ten onrechte was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Dit oordeel werd door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk geacht en behoefde geen nadere motivering.
De Hoge Raad benadrukte dat de toepasselijkheid van de nieuwe wetgeving met de grond voor tussentijdse beëindiging onder art. 350 lid 3 sub f Fw Pro niet geldt voor schuldenaren die reeds definitief onder het oude recht waren toegelaten, zoals verzoekster. Het hof heeft de maatstaf van goede trouw naar het oude recht juist toegepast en voldoende gemotiveerd.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft in stand.