ECLI:NL:PHR:2009:BH7362

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04420
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 407 lid 2 RvWet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt alimentatiebeoordeling bij vermogen en behoefte man

In deze zaak staat de vraag centraal of het hof terecht heeft geoordeeld dat de man, ondanks zijn stelling dat hij in 2006 een negatief inkomen uit vermogen had, in staat is om circa €300 netto per maand uit zijn vermogen te genereren ten behoeve van zijn levensonderhoud.

De rechtbank had het verzoek van de man om partneralimentatie afgewezen, omdat hij met zijn inkomen uit uitkeringen en vermogen in zijn behoefte kon voorzien. Het hof vernietigde deze beschikking en stelde de alimentatie vast op €516 bruto per maand, waarbij het de behoefte van de man op €1.227 netto per maand stelde en zijn inkomen uit uitkeringen op €599 netto per maand.

De man stelde in cassatie dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat hij een inkomen uit vermogen kon genereren, terwijl hij dit onvoldoende had onderbouwd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende inzicht had verkregen in de vermogenspositie van de man en dat het hof de vrijheid heeft om aan de omstandigheden betekenis toe te kennen bij de alimentatievaststelling.

Het cassatieberoep faalt, omdat het hof zijn taak als appelrechter had vervuld door het geschil volledig te herbeoordelen en zelfstandig het inkomen uit vermogen te bepalen. Er zijn geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zodat het beroep wordt verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het hofarrest bevestigd dat zijn behoefte aan alimentatie op circa €300 netto per maand wordt vastgesteld.

Conclusie

08/04420
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 20 maart 2009
Conclusie inzake:
[De vrouw]
tegen
[De man]
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Het geschil tussen verzoekster tot cassatie, de vrouw, en verweerder in cassatie, de man, betreft de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.
1.2 De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 7 mei 2007 - voor zover in cassatie van belang - het verzoek van de man om vaststelling van een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud afgewezen, omdat de man met zijn inkomen uit uitkeringen en vermogen geheel in zijn behoefte kan voorzien.
1.3 De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en heeft daarbij verzocht de afwijzing van zijn verzoek tot het vaststellen van een bijdrage in zijn levensonderhoud te vernietigen en hem met ingang van 1 september 2006 een bedrag van € 1.226,73 per maand toe te kennen. Bij beschikking van 23 juli 2008 heeft het hof de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd, en opnieuw beschikkende de alimentatie voor de man ten laste van de vrouw met ingang van 8 juni 2007 vastgesteld op € 516,- (bruto) per maand.
1.4 Het tijdig(1) tegen deze beschikking ingestelde cassatieberoep bevat één middel, dat in de kern is gericht tegen het oordeel van het hof om de behoefte aan alimentatie van de man te bepalen op € 300,- netto per maand.
1.5 Het middel klaagt - zakelijk weergegeven - dat het hof zelf heeft vastgesteld dat de man zijn stelling dat hij geen of een negatief vermogen heeft gehad in de procedure in hoger beroep volstrekt niet heeft onderbouwd, zodat (i) het hof alsdan moet uitgaan van het oordeel van de rechtbank en (ii) onbegrijpelijk is dat het hof de behoefte van de man vaststelt op € 300,- netto per maand.
1.6 Het hof heeft in rechtsoverweging 5 - in cassatie niet bestreden - de door de man gestelde en door de vrouw niet bestreden behoefte van de man bepaald op € 1.227,- netto per maand. Voorts heeft het hof - evenmin in cassatie bestreden - het totale inkomen van de man uit uitkeringen vastgesteld op € 599,- netto per maand.
1.7 Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 8 de stelling van de man beoordeeld dat bij de bepaling van zijn behoeftigheid geen rekening moet worden gehouden met inkomen uit vermogen omdat hij in 2006 een negatief inkomen uit vermogen had, welke stelling door de vrouw is betwist.
Het hof heeft geoordeeld dat de man onvoldoende inzicht verschaft in zijn vermogensbestanddelen en de vermogensmutaties die plaatsvinden en dat in het licht van het vermogen van de man zoals dit uit de overgelegde stukken blijkt, en de aanzienlijke hoeveelheid handelstransacties die de man verricht, de man in staat is althans moet zijn om in ieder geval een bedrag van circa € 300,- netto per maand met dit vermogen te genereren ten behoeve van zijn levensonderhoud.
1.8 In dit oordeel ligt in de eerste plaats klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk het oordeel besloten dat de man zijn stelling dat hij in 2006 een negatief inkomen uit vermogen had, onvoldoende heeft gemotiveerd. Voor zover het middel klaagt dat het hof heeft geoordeeld dat de man zijn vermogenspositie in het geheel niet heeft onderbouwd, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Daarnaast berust het oordeel van het hof dat de man een inkomen van € 300,- zou kunnen verwerven op de vrijheid van de rechter om te beoordelen aan welke omstandigheden hij bij zijn beslissing omtrent de omvang van de alimentatiebeslissing betekenis wil toekennen en tevens welke betekenis hij daaraan wil toekennen(2).
1.9 De klacht dat het hof het oordeel van de rechtbank had dienen over te nemen, miskent dat het de taak van de appelrechter is om bij de vaststelling van alimentatie de van belang zijnde omstandigheden volledig te waarderen en aldus het geschil in volle omvang opnieuw te beoordelen. Door aan de hand van de door de man overgelegde stukken zelfstandig te onderzoeken hoe groot het inkomen van de man uit vermogen is, heeft het hof dus niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De uitkomst van dit onderzoek is feitelijk.
1.10 Het middel klaagt ten slotte dat het hof de stelling van de vrouw dat de man toereikende inkomsten uit vermogen zou kunnen genereren, heeft gepasseerd.
Deze klacht mist deels feitelijke grondslag nu de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep (dat door het hof als pleitnota is bestempeld) onder 3 heeft gesteld dat de door de man overgelegde stukken op geen enkel moment een volledig beeld van de financiële positie van de man geven, en ook het hof heeft geoordeeld dat de man onvoldoende inzicht verschaft in zijn vermogensbestanddelen en de vermogensmutaties die hebben plaatsgevonden. Voor zover wordt bedoeld te klagen dat de vrouw meer specifiek heeft gesteld dat en waarom de man in 2006 inkomsten uit vermogen kon genereren, voldoet de klacht niet aan art. 407 lid 2 Rv Pro.
1.11 Het middel faalt mitsdien.
1.12 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep worden verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift tot cassatie is op 21 oktober 2008 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. In het A-dossier ontbreken de stukken in cassatie. In het B-dossier ontbreken: het proces-verbaal van de rechtbank van 2 april 2007 en de brieven van de man en de vrouw met producties van 11 en 16 april 2008.
2 HR 27 maart 1998, NJ 1998, 551.