ECLI:NL:PHR:2009:BH6533
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding kosten huishoudelijke hulp bij overlijdensschade volgens art. 6:108 BW
Deze zaak betreft de vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp als onderdeel van overlijdensschade op grond van artikel 6:108 lid 1 sub d BW Pro. Na het overlijden van de echtgenote door een aanrijding, vorderde de nabestaande vergoeding voor gederfd levensonderhoud, waaronder kosten voor vervangende huishoudelijke hulp.
De rechtbank wees de vordering deels toe maar stelde dat er sprake was van een overschot waardoor geen vergoeding voor gederfd levensonderhoud bestond. Het hof vernietigde dit vonnis en kende een lagere schadevergoeding toe, waarbij het oordeelde dat financiële behoeftigheid geen vereiste is voor vergoeding van kosten huishoudelijke hulp.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door financiële behoeftigheid als irrelevant te beschouwen. De Hoge Raad benadrukte dat de behoefte aan vergoeding mede afhankelijk is van de concrete omstandigheden en de financiële positie van de nabestaande, inclusief uitkeringen. De schadebegroting mag deels abstract zijn, maar moet ook rekening houden met concrete feiten. Het cassatieberoep werd gegrond verklaard en het arrest van het hof vernietigd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van de juiste rechtsopvatting over financiële behoeftigheid en schadebegroting.