ECLI:NL:PHR:2009:BH6530
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepasselijkheid en uitleg van co-ouderschapsregeling bij gezamenlijk gezag
De zaak betreft een geschil tussen voormalige partners over de verblijfsregeling en co-ouderschap van hun gezamenlijk gezaghebbende kind. De vader verzocht de rechtbank om een regeling waarbij het kind om en om bij beide ouders verblijft, inclusief een verdeling van de schoolvakanties. De rechtbank wees dit verzoek af wegens te grote verandering voor het kind. Het hof vernietigde deze beslissing en wees het verzoek eveneens af, waarbij het stelde dat geen sprake was van gewijzigde omstandigheden zoals vereist op grond van art. 1:377e BW.
De vader stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het verzoek als een wijziging van de omgangsregeling op grond van art. 1:377e BW had beoordeeld, terwijl het ging om een geschil inzake gezamenlijk gezag dat op grond van art. 1:253a BW moest worden behandeld. De Hoge Raad bevestigde dat co-ouderschap geen juridisch begrip is en dat verzoeken tot regeling van de zorg- en opvoedingstaken bij gezamenlijk gezag onder art. 1:253a BW vallen. Het hof had het verzoek terecht uitgelegd als een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling en de gestelde gewijzigde omstandigheden ontbraken.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde dat het belang van het kind centraal staat bij de beoordeling van wijzigingsverzoeken. De procedure benadrukte het belang van een juiste kwalificatie van het verzoek en de toepassing van de juiste wettelijke bepalingen. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de wetgeving rond omgangsregelingen en gezamenlijk gezag na scheiding.
Uitkomst: Het verzoek van de vader tot wijziging van de omgangsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden.