ECLI:NL:PHR:2009:BH5695

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10696 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 36e SrArt. 81 ROArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beklag tegen beslag op auto ex art. 94 Sv en juiste maatstaf

In deze zaak gaat het om een beklag van klager tegen beslaglegging op zijn auto op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond en motiveerde dit met toepassing van de maatstaf van artikel 94a Sv, die betrekking heeft op beslaglegging bij geldboetes. De Hoge Raad stelt vast dat het hier om beslag ex art. 94 Sv Pro gaat, waardoor de rechtbank onjuist de maatstaf van art. 94a Sv heeft toegepast.

De Hoge Raad herstelt deze kennelijke misslag door de juiste maatstaf toe te passen, namelijk dat vatbaar voor beslag zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, dan wel die voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer in aanmerking komen. De rechtbank had bedoeld te zeggen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de auto zal verbeurdverklaren.

Het middel van klager faalt omdat hij geen concrete argumenten aanvoert dat de auto niet voor verbeurdverklaring in aanmerking komt. Ook is niet gesteld dat het beslag onrechtmatig is. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt het belang van het strafvorderlijk onderzoek bij het handhaven van het beslag.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de auto blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 07/10696 B
Mr. Knigge
Zitting: 10 maart 2009
Conclusie inzake:
[Klager]
1. De (Raadkamer in de) Rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 22 juni 2007 het door klager ingediende beklag, strekkende tot teruggave aan hem van een auto, ongegrond verklaard.
2. Namens klager heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt erover dat de Rechtbank een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd. De Rechtbank zou de maatstaf ex art. 94a Sv hebben gehanteerd, terwijl het hier om beslag ex art. 94 Sv Pro gaat.
4. Buiten kijf is dat het hier inderdaad beslag ex art. 94 Sv Pro betreft.
5. De Rechtbank heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd:
"Op grond van art. 94 Sv Pro. kunnen voorwerpen in beslag worden genomen met het oog op de waarheidsvinding of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aan te tonen, dan wel omdat zij in aanmerking komen voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Uit de stukken en de behandeling in raadkamer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het wederrechtelijk verkregen voordeel zal ontnemen.
Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard."
6. Art. 94 lid 1 Sv Pro luidt:
"1. Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, aan te tonen.
2. Voorts zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen."
7. Bij de beoordeling van een klaagschrift gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken of:
a) er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (vgl. HR 21 september 1999, LJN ZD1907, NJ 2000, 161).
8. De Rechtbank is haar overweging begonnen door de op art. 94 Sr Pro gestoelde maatstaf aan te halen. Dat zij de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd, mist dus feitelijke grondslag. Iets anders is dat de toepassing die de Rechtbank aan deze maatstaf heeft gegeven op het eerste gezicht onbegrijpelijk is. Het komt mij evenwel voor dat slechts sprake is van een kennelijke misslag. De Rechtbank zal hebben bedoeld te zeggen, mede gelet op hetgeen door de Officier van Justitie ter zitting naar voren is gebracht, dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave van de auto verzet nu niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de auto verbeurd zal verklaren.
9. De Hoge Raad kan de overweging mijns inziens verbeterd lezen, nu de klager daardoor niet in enig rechtens te respecteren belang wordt geschaad. Ik neem daarbij in aanmerking dat het bezwaarschrift niet meer inhoudt dan dat het voor zich spreekt dat "bij de huidige stand van het onderzoek geen onomkeerbare stappen kunnen worden genomen met betrekking tot het in beslaggenomen voertuig". Daarmee lijkt het bezwaarschrift te reageren op een tot klager gericht schrijven van de politie waarin hem medegedeeld wordt dat zijn auto na taxatie mogelijk zal worden vernietigd (waartegen, anders dan het schrijven suggereert, geen beklag ex art. 552a Sv open staat). Noch in het bezwaarschrift zelf, noch bij de behandeling in raadkamer (waar klager niet is verschenen) is door of namens klager aangevoerd dat de auto niet voor verbeurdverklaring in aanmerking komt.
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG