ECLI:NL:PHR:2009:BH2250
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijslast bij vaderschapsactie en donorovereenkomst in familierecht
In deze zaak staat centraal of de biologische vader, die zich beroept op donorschap en ontkent gemeenschap te hebben gehad met de moeder, als verwekker in de zin van art. 1:394 BW Pro kan worden aangemerkt. De moeder vordert op die grond een bijdrage in het levensonderhoud van het kind. DNA-onderzoek heeft vastgesteld dat de man de biologische vader is, maar hij stelt dat de bevruchting via donorschap en zelfinseminatie heeft plaatsgevonden.
De rechtbank en het hof hebben het beroep van de man op een donorovereenkomst onderzocht, maar oordeelden dat hij het bewijs daarvoor niet had geleverd. Het hof verbeterde later enkele kennelijke verschrijvingen, maar handhaafde het oordeel omtrent het verwekkerschap.
De Hoge Raad benadrukt dat de bewijslast voor het verwekkerschap bij de partij rust die dit stelt, hier de moeder, ook als vaststaat dat de man de biologische vader is. Het beroep van de man op donorschap leidt niet tot een afwijking van deze hoofdregel. Het hof heeft ten onrechte de bewijslast omgekeerd door alleen bewijs van de man te verlangen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en bevestigt dat de bewijslast voor het verwekkerschap bij de moeder ligt, ook als de biologische vader zich beroept op donorschap.