ECLI:NL:PHR:2009:BG9912
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van machtiging tot voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis en eisen aan geneeskundige verklaring
In deze zaak betreft het een verzoek tot voortzetting van een voorlopige machtiging voor verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet Bopz. De rechtbank Maastricht verleende de machtiging voor een periode van één jaar, waarbij onder meer werd overwogen dat betrokkene een geestesstoornis heeft die gevaar veroorzaakt en dat betrokkene zich verzet tegen opname en verblijf.
Betrokkene stelde in cassatie dat de geneeskundige verklaring niet voldeed aan de wettelijke eisen, onder meer omdat deze niet door de opsteller was ondertekend en onvoldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad oordeelde dat de verklaring weliswaar summier kan zijn, maar dat de beoordeling daarvan aan de feitenrechter is voorbehouden en dat de verklaring aan de minimale eisen voldoet, inclusief de ondertekening door de geneesheer-directeur.
Voorts werd bevestigd dat het gevaarscriterium inhoudt dat er een reëel risico op onheil bestaat dat niet door derden kan worden afgewend. Het verzet van betrokkene tegen opname werd ruim geïnterpreteerd, waarbij verbale en non-verbale gedragingen in aanmerking worden genomen. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde daarmee de machtiging tot voortgezet verblijf.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp de cassatie en bevestigde de machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis.