ECLI:NL:PHR:2009:BG6581
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering Kroatische veroordeelde ondanks beroep en minderjarigheid
De Rechtbank te 's-Hertogenbosch verklaarde op 27 februari 2008 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Kroatië toelaatbaar ter uitvoering van een verstekvonnis van 6 november 2002. De opgeëiste persoon stelde beroep in en voerde onder meer aan dat de uitlevering ontoelaatbaar is wegens verjaring van het recht op strafvervolging en schending van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) vanwege zijn minderjarigheid ten tijde van het delict.
De Hoge Raad oordeelt dat het uitleveringsverzoek moet worden aangemerkt als een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en niet tot strafvervolging, ook al is er beroep ingesteld. Dit oordeel is feitelijk en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst, wat hier het geval is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het recht tot strafexecutie niet is verjaard volgens zowel Kroatisch als Nederlands recht.
Voorts wijst de Hoge Raad het verweer af dat het IVRK de uitlevering zou verbieden omdat Kroatië geen apart jeugdstrafrechtstelsel kent of dit niet zou toepassen. Het IVRK schept slechts een inspanningsverplichting en de rechtbank heeft vastgesteld dat rekening is gehouden met de minderjarigheid van de opgeëiste persoon. Ook het verzoek tot aanhouding van de procedure om nadere informatie te verkrijgen over de verjaringstermijnen en toepassing van jeugdstrafrecht is door de rechtbank terecht afgewezen. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toelaatbaarheid van de uitlevering ter tenuitvoerlegging van het Kroatische vonnis.