ECLI:NL:PHR:2009:BG5569

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10550 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArtikel 14 MeststoffenwetArtikel 18.18 Wet milieubeheerArtikel 8.1 Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatieprocedure milieudelicten

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte vrijgesproken en ontslagen van rechtsvervolging voor meerdere milieudelicten en medeplegen van opzettelijke overtredingen van voorschriften uit de Meststoffenwet en Wet milieubeheer, en veroordeelde hem tot een geldboete van €100.000 voor andere overtredingen.

Verdachte stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest, waarbij vier middelen van cassatie werden ingediend. De Hoge Raad constateerde dat de termijn voor het indienen van de cassatie-inzending was overschreden en dat de uitspraak niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan, waardoor de redelijke termijn werd overschreden.

Hierdoor acht de Hoge Raad ambtshalve strafvermindering passend. Het tweede middel blijft buiten bespreking, de overige middelen falen en worden met een korte motivering afgewezen. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging aangetroffen.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, vermindert de straf naar eigen inzicht en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor strafoplegging en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 07/10550 E
Mr. Bleichrodt
Zitting 25 november 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 14 juni 2006 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging ter zake van de onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten en voorts de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde onder 6. (onderdeel voorschrift 12.1), 7. (onderdeel mestscheidingsinstallatie), 9. (onderdeel mestafscheider/separator) en 11. (onderdeel mestscheidingsinstallatie), de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het bewezenverklaarde onder 6. (onderdelen voorschrift 1.2.5, 1.2.6 en 1.2.8), 8. en 10. en verder ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 14 van Pro de Meststoffenwet, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd", 3. en 6. (onderdelen voorschrift 1.2.5, 1.2.6, 1.2.8 en 10.2), 8. en 10. telkens opleverende "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" en 7. (onderdeel mestzak), 9. (onderdeel mestzak), 11. (onderdeel mestzak) en 12. telkens opleverende "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van EUR 100.000,-.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken 07/10566 E ([medeverdachte 3]) en 07/10554 E ([medeverdachte 2]), in welke ik heden eveneens concludeer.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.
4. De middelen die in de onderhavige zaak zijn voorgesteld zijn gelijkluidend aan de middelen van cassatie in de zaak 07/10566 E ([medeverdachte 3]). Voor de bespreking van de middelen verwijs ik naar de conclusie in deze zaak, waarvan een kopie aan deze conclusie is aangehecht.
5. Nu de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden, terwijl de Hoge Raad ook geen uitspraak zal doen binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep waardoor de redelijke termijn in cassatie overschreden, merk ik ambtshalve op dat dit zal moeten leiden tot strafvermindering.
6. Het tweede middel moet buiten bespreking blijven. De overige middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO Pro te ontlenen korte motivering worden afgedaan. Gronden die tot ambtshalve vernietiging zouden behoren te leiden heb ik overigens niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate waarin de Hoge Raad dat gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden