ECLI:NL:PHR:2009:BG4241

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11105 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overschrijding redelijke termijn bij profijtontneming en gevolgen voor niet-ontvankelijkheid OM

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam aan betrokkene opgelegd een bedrag van 68.000 euro te betalen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens betrokkene werd cassatieberoep ingesteld met het middel dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en cassatie tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden.

Het Hof had de redelijke termijnoverschrijding erkend en het te betalen bedrag verlaagd van 90.756 euro naar 68.000 euro. De stukken van het cassatieberoep kwamen pas na bijna 19 maanden binnen bij de Hoge Raad, wat een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn betekent. Ook de Hoge Raad zal niet binnen twee jaar uitspraak doen, waardoor de termijn verder wordt overschreden.

De Hoge Raad stelt echter vast dat deze overschrijding niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, conform een eerdere uitspraak van 17 juni 2008. Vermindering van het te betalen bedrag is in deze zaak niet aan de orde, maar kan in de samenhangende strafzaak worden overwogen. De conclusie is dat het beroep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel gehandhaafd blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van 68.000 euro blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 07/11105 P(1)
Mr. Knigge
Zitting: 11 november 2008
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft aan betrokkene de verplichting opgelegd aan de Staat een geldbedrag te betalen van 68.000 euro ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens de betrokkene heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat, gelet op de reeds forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden.
4. In hoger beroep heeft het Hof vastgesteld dat de redelijke termijn overschreden was. Het Hof heeft derhalve in plaats van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 90.756,- op te leggen, het te betalen bedrag op 68.000,- gesteld.
5. Verdachte heeft vervolgens op 26 januari 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn eerst op 23 augustus 2007, dus na bijna 19 maanden, ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de redelijke termijn behoorlijk overschreden.
6. Ambtshalve merk ik nog op dat de Hoge Raad in deze zaak niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn in cassatie derhalve overschreden.
7. Tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan dit alles echter niet leiden. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 17 juni 2008 (NJ 2008, 358, r.o. 3.21) uitgemaakt dat overschrijding van de redelijke termijn daartoe niet (meer) kan leiden. In dat opzicht faalt het middel derhalve.
8. Voor vermindering van het te betalen bedrag is in beginsel echter ook geen plaats in deze zaak. In de in cassatie aanhangige strafzaak tegen verdachte, waarin ik heden eveneens concludeer, heb ik immers in verband met de overschrijding van de redelijke termijn al geconcludeerd dat de Hoge Raad de straf zelf kan verminderen in de mate die hem goeddunkt. Indien de Hoge Raad in de strafzaak de straf vermindert kan in de onderhavige ontnemingszaak volstaan worden met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.(2)
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen verdachte 07/11106, waarin ik heden eveneens concludeer.
2 Vgl. HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, r.o. 3.6.3 onder B.