ECLI:NL:PHR:2009:BD0236
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteiten bij niet-ingezeten verkrijger met minder dan 5% aandelenpakket
Belanghebbende, woonachtig in Canada, erfde een minderheidsaandeel (minder dan 5%) in een Nederlandse vennootschap, terwijl andere erfgenamen wel een aanmerkelijk belang hadden. Hij verzocht om toepassing van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (uitstel van betaling en voorwaardelijke kwijtschelding) voor successierecht, welke door de Belastingdienst werden geweigerd omdat het aandelenpakket niet aansluitend tot een aanmerkelijk belang behoorde.
Het Hof Arnhem verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de wetstekst duidelijk uitsluit dat faciliteiten gelden voor niet-ingezeten verkrijgers zonder aanmerkelijk belang. Het hof oordeelde verder dat er geen sprake is van verboden discriminatie of schending van de vrijheid van kapitaalverkeer. Belanghebbende stelde in cassatie dat de wet onjuist werd uitgelegd en dat sprake was van discriminatie.
De Hoge Raad analyseerde de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten, de meetrekregeling en het fictief aanmerkelijk belang, en concludeerde dat een fictief aanmerkelijk belang niet kan meetrekken onder de meetrekregeling. De Hoge Raad bevestigde dat de uitsluiting van niet-ingezeten verkrijgers gerechtvaardigd is vanwege het risico op heffingslekken en het verschil in fiscale positie.
De Hoge Raad verwees ook naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie EU over de vrijheid van vestiging en kapitaalverkeer, en oordeelde dat de regeling niet in strijd is met deze vrijheden. Het beroep werd verworpen, waarmee de weigering van faciliteiten aan belanghebbende stand hield.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat bedrijfsopvolgingsfaciliteiten niet van toepassing zijn op niet-ingezeten verkrijgers zonder aanmerkelijk belang en wijst het cassatieberoep af.