ECLI:NL:PHR:2008:BG9039
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel en de bewijslastverdeling
In deze zaak ging het om de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde uit de handel in heroïne en cocaïne over een periode van 40 weken. Het hof had het voordeel berekend op basis van de hoeveelheid drugs die dagelijks werd verkocht, de inkoop- en verkoopprijzen, en de gemaakte kosten zoals drugsgebruik en brandstofkosten. Het hof wees het verweer van de veroordeelde af dat het voordeel over meerdere personen verdeeld moest worden, omdat niet was gebleken dat er sprake was van een netwerk met andere dealers.
De Hoge Raad overwoog dat het hof de bewijslast op redelijke en billijke wijze had verdeeld tussen het openbaar ministerie en de veroordeelde. Het hof had niet van de veroordeelde verlangd om een hogere bewijslast te dragen dan het aannemelijk maken van zijn stellingen. Ook de waardering van de verbeurdverklaarde voorwerpen en het geldbedrag was volgens de Hoge Raad juist toegepast, waarbij het hof onderscheid maakte tussen kosten die in mindering konden worden gebracht op het voordeel en de betalingsverplichting die lager kon worden vastgesteld dan het voordeel.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 35.200,- en de betalingsverplichting aan de staat op € 34.820,-. Hiermee werd het vonnis van het hof bekrachtigd zonder dat het nodig was het arrest te vernietigen of te herzien.
Uitkomst: De betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 34.820,-.