ECLI:NL:PHR:2008:BG1816
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over executoriaal beslag op aandeel in onroerende zaken bij belastinginvordering
De zaak betreft een geschil over executoriaal beslag dat de ontvanger van de Belastingdienst heeft gelegd op onroerende zaken die in mede-eigendom toebehoren aan eiser en zijn echtgenote. De voorlopige aanslagen inkomstenbelasting over 2002 en 2003 waren opgelegd en direct invorderbaar verklaard. Eisers maakten bezwaar en vroegen uitstel van betaling, maar de ontvanger legde desalniettemin beslag op vier onroerende zaken, waaronder twee die zij gezamenlijk bezitten.
De voorzieningenrechter en het hof verwierpen de vorderingen van eisers tot opheffing van het beslag. Het hof oordeelde dat het beslag slechts op het aandeel van eiser in de onroerende zaken was gelegd en dat de niet-tijdige betekening van het proces-verbaal aan de echtgenote geen nietigheid van het beslag tot gevolg had. Tevens verwierp het hof klachten over het beleid van de ontvanger en de onderbouwing van de voorlopige aanslagen.
De Hoge Raad stelt dat het proces-verbaal van inbeslagneming duidelijk moet specificeren op welk vermogensrecht het beslag is gelegd. Indien het proces-verbaal vermeldt dat het beslag op de gehele onroerende zaak is gelegd terwijl het feitelijk slechts op het aandeel van eiser in de mede-eigendom ziet, is dat onverenigbaar met eerdere jurisprudentie. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat betekening aan mede-eigenaren die niet mede-geëxecuteerden zijn niet onder de nietigheidssanctie valt en bevestigt dat de ontvanger bevoegd was het beslag te leggen ondanks het verzoek om uitstel van betaling en de schorsing van de voorlopige aanslagen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof wegens onjuiste proces-verbaalomschrijving van het beslag.