ECLI:NL:PHR:2008:BG1213
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevergoeding wegens proeftijdontslag en goed werknemerschap
De zaak betreft een arbeidsgeschil tussen Bezo en een werknemer die binnen de proeftijd ontslag nam om bij een andere werkgever in dienst te treden. Bezo vorderde schadevergoeding wegens vermeende schending van goed werknemerschap, omdat de werknemer tijdens acquisitiegesprekken bij Bezo al gesprekken voerde met de andere werkgever en daardoor een opdracht aan Bezo misliep.
De kantonrechter kende Bezo een bedrag toe wegens gederfde winst, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af. Het hof oordeelde dat geen causaal verband bestond tussen het ontslag en de vermeende schade, mede omdat de andere werkgever geen opdracht aan Bezo zou hebben verstrekt. Ook kosten van selectieprocedure en terugvordering van loon werden afgewezen omdat de werknemer bevoegd was het dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen.
De Hoge Raad bevestigt het arrest van het hof en overweegt dat ook tijdens de proeftijd het beginsel van goed werknemerschap geldt, maar dat het ontslagrecht tijdens de proeftijd niet beperkt wordt door de motieven van de werknemer. Het ontbreken van causaal verband tussen het handelen van de werknemer en de schade leidt tot afwijzing van de vordering. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de werknemer niet aansprakelijk is voor schade wegens ontslag tijdens de proeftijd.