ECLI:NL:PHR:2008:BF8845

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10228 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 36f SrArt. 6:166 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en vermindering wederrechtelijk verkregen voordeel bij diefstal met geweld

In deze strafzaak werd betrokkene veroordeeld voor diefstal met geweld, gepleegd door meerdere personen. Het Hof Arnhem had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €41.715,00, gebaseerd op bankafschriften en verklaringen over geldbedragen die in bruine enveloppen waren ontvangen en in een kluis waren bewaard.

Het Hof had echter nagelaten de proceskosten van de benadeelde partij, die ten laste van betrokkene waren toegewezen, in mindering te brengen op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel, in strijd met artikel 36e lid 6 Sr. De Hoge Raad oordeelde dat deze kosten van €1.450,- wel degelijk in mindering gebracht moesten worden.

Daarnaast werd de schadevergoeding onder de veroordeelden verdeeld volgens artikel 6:166 BW Pro, waarbij rekening werd gehouden met billijkheid. Na verrekening van de schadevergoeding en proceskosten stelde de Hoge Raad de betalingsverplichting van betrokkene vast op €40.265,-. Het beroep van betrokkene werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van €40.265,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel na correctie van proceskosten.

Conclusie

Nr. 07/10228 P
Mr. Bleichrodt
Zitting 7 oktober 2008 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 7 december 2006 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41.715,00
2. Namens betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd de kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partij, die ten laste van betrokkene zijn toegewezen bij het in de hoofdzaak gewezen arrest in mindering te brengen op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat en op de vastgestelde betalingsverplichting.
3.2 Het hof heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:
"De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 23 november 2005 (parketnummer 05-910045-05) terzake van diefstal vergezeld van geweld of bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot straf. Ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn voor betrokkenheid bij dit feit veroordeeld.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van EUR 41.715,00 (eenenveertigduizendzevenhonderdvijftien).
Het hof berekent dit voordeel als volgt.
Uit de door aangeefster overhandigde afschriften van "Spar-Auszahlung" blijkt dat er op 19 augustus 2003 door de bank in Kleve aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in totaal een geldbedrag van EUR 226.342,00 is uitbetaald. Aangeefster verklaarde dat zij het gehele geldbedrag in de kluis had gelegd en nadien geen geld meer uit de kluis had gehaald. Het geld had volgens aangeefster in bruine enveloppen gezeten, zoals zij het van de bank had ontvangen. Medeveroordeelde [betrokkene 1] verklaarde eveneens dat het geld in bruine enveloppen verpakt was geweest. Aangeefster houdt er een zeer zuinige levensstijl op na. Bovendien wijken de door de veroordeelde en medeveroordeelden opgegeven bedragen in totaal niet veel af van bovenstaand bedrag. Op grond van bovenstaande gaat het hof ervan uit dat in de kluis een bedrag heeft gezeten van EUR 226.342,00.
Veroordeelden verklaren het geld door drieën te hebben gedeeld. Derhalve hebben veroordeelden [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene] ieder een geldbedrag van EUR 75.447,00 ontvangen. [Betrokkene] en [betrokkene 1] hebben vervolgens ieder EUR 5.000,00 aan [betrokkene 5] gegeven voor zijn aandeel in het feit en hebben aldus EUR 70.447,00 overgehouden.
In de strafzaak is tegen de veroordeelden [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene] en [betrokkene 5] de vordering van de benadeelde partij (deels) toegewezen tot een bedrag van EUR 101.198,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het wetboek van strafrecht tot het voornoemde bedrag, subsidiair 365 dagen hechtenis. Een vijfde verdachte, D. van den Wardt, is vrijgesproken. Van de toegewezen vordering bestaat EUR 5.000,00 uit immateriële schadevergoeding. Op grond van artikel 36e lid 6 houdt het hof rekening met deze in rechte aan de benadeelde partij toegekende vordering met uitzondering van het immateriële gedeelte ad EUR 5.000,00, derhalve met een vordering ten bedrage van EUR 96.198,00.
Echter na integrale betaling van de toegekende vordering zou veroordeelde een regresrecht hebben op de medeschuldenaars, hetgeen met zich brengt dat de toegewezen vordering slechts ten dele op het voordeel in mindering dient te worden gebracht.
Veroordeelden moeten op grond van artikel 6:166 BW Pro onderling in gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vordert. Het hof is van oordeel dat, gelet op de billijkheid, op het toegewezen materiële gedeelte van de schadevergoeding ad EUR 96.198,00, het deel voor veroordeelde [betrokkene 5], EUR 10.000,00, in mindering moet worden gebracht.
Resteert een bedrag van EUR 86.198,00, welk bedrag verdeeld dient te worden over de drie veroordeelden wat resulteert in een bedrag van EUR 28.732,00 per persoon.
Resumerend komt dit op een door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel van EUR 41.715,00 (EUR 70.447,00 minus EUR 28.732,00)."
3.3. Bij de stukken bevindt zich het vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 23 november 2005 in de hoofdzaak, waarnaar het Hof in de aanvulling op het verkorte arrest in de onderhavige zaak verwijst. Dat vonnis houdt voor zover van belang in dat de betrokkene mede wordt veroordeeld tot betaling van de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand, begroot op € 1450,- Ook deze kosten hadden ingevolge art. 36 e, zesde lid, Sr bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moeten worden gebracht.(1) Het middel is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf genoemd bedrag in mindering kunnen brengen op de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel en op de betalingsverplichting.
4. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding zouden behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat het bestreden arrest zal worden vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting, dat de Hoge Raad de betalingsverplichting zal vaststellen op € 40.265, - , met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR NJ 1998, 90, HR NJ 2001, 456.