ECLI:NL:PHR:2008:BF5300

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01693/07 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 457 lid 1 sub 2° SvArt. 458 lid 1 SvArt. 467 lid 1 SvArt. 579 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij veroordeling Opiumwet overtreding

Aanvrager werd bij vonnis van de Politierechter te Haarlem veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, onder A van de Opiumwet. Later bleek dat de persoon die op 16 oktober 2004 werd aangehouden en veroordeeld, zich had uitgegeven voor aanvrager. Uit vingerafdrukken en foto's blijkt dat de aangehouden persoon niet aanvrager was.

De aanvraag tot herziening berust op deze persoonsverwisseling, een situatie waarbij de veroordeelde onder een verkeerde naam is berecht en gestraft. De Hoge Raad overweegt dat deze situatie gelijkgesteld moet worden met een vrijspraak van de veroordeelde van het tenlastegelegde, zoals bedoeld in artikel 457 lid 1 sub Pro 2° Sv.

Hoewel de aangehouden persoon ter terechtzitting is verschenen en de straf heeft ondergaan, was dit onder de verkeerde naam. Dit onderscheidt de zaak van andere persoonsverwisselingen waarbij meestal de verkeerde persoon bij verstek wordt veroordeeld. De Hoge Raad verklaart de aanvraag gegrond, beveelt opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling conform artikel 467 lid 1 Sv Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond wegens persoonsverwisseling en verwijst de zaak naar het gerechtshof.

Conclusie

Nr. 01693/07 H
Mr. Fokkens
Zitting: 26 augustus 2008
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. De Politierechter te Haarlem heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 2 december 2004 wegens "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens aanvrager heeft mr. T.N. van Riel, advocaat te Amsterdam, herziening gevraagd van het vonnis van de Politierechter op de grond dat er sprake zou zijn geweest van een persoonsverwisseling. Dit was niet bekend ten tijde van de berechting.
3. Uit de stukken van het geding blijkt dat op 16 oktober 2004 op Schiphol een persoon is aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Gebleken is dat deze persoon, die als zijn personalia opgaf [aanvrager], bolletjes had geslikt. Deze persoon is vervolgens in verzekering gesteld en in voorlopige hechtenis genomen. Ten tijde van de op tegenspraak gewezen bestreden uitspraak was hij preventief gedetineerd in het Detentiecentrum Roermond.
4. In de aanvraag wordt gesteld dat aanvrager uit een andere zaak is gebleken dat iemand zich voor hem heeft uitgegeven en dat hij in samenspraak met een verbalisant te Amsterdam tot de conclusie is gekomen dat dit in meerdere zaken is gebeurd. Hierop heeft aanvrager de Officier van Justitie te Amsterdam verzocht een identiteitsonderzoek uit te voeren. Een kopie van het proces-verbaal van dit onderzoek is als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Uit dit proces-verbaal van de Politie Amsterdam-Amstelland d.d. 1 februari 2007 blijkt dat (i) op 1 februari 2007 en 5 oktober 2004 de vingerafdrukken zijn afgenomen van aanvrager, en dat (ii) de op 18 oktober 2004 afgenomen vingerafdrukken van diegene die op 16 oktober 2004 onder de personalia van aanvrager was aangehouden, niet overeenkomen met de vingerafdrukken van aanvrager.
Voorts is bij de aanvraag een kopie van een proces-verbaal van de Politie Amsterdam-Amstelland d.d. 13 februari 2007 gevoegd waaruit onder meer valt op te maken dat de foto van de persoon die als [aanvrager] in het Herkenningsdienst systeem voorkomt onder nummer [001] (ik neem aan: de persoon die op 16 oktober 2004 is aangehouden) niet overeenkomt met de foto van aanvrager.
5. De inhoud van deze processen-verbaal geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat in de zaak die leidde tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van een persoonsverwisseling.
6. Deze zaak onderscheidt zich echter van de meeste zaken waarin sprake is van een persoonsverwisseling doordat in dit geval de als verdachte aangehouden persoon ter terechtzitting is verschenen en de straf heeft ondergaan, zij het onder de verkeerde naam. In de meeste gevallen waarin sprake is van een persoonsverwisseling, wordt de verkeerde persoon gedagvaard en wordt deze, meestal bij verstek, veroordeeld.
7. Een vergelijkbare situatie deed zich wel voor in de zaak die heeft geleid tot het arrest HR 19 juni 2007, LJN: BA0427. Ook in die zaak was ook de juiste persoon ter terechtzitting verschenen. Hij gaf tijdens de zitting echter de naam op van zijn tweelingzuster. Hierdoor was in het vonnis de verkeerde voornaam gebezigd. Mijn ambtgenoot mr. Knigge wees er in zijn conclusie op dat dit niet wegnam dat de juiste persoon was veroordeeld (zie Melai aant. 7 op art. 579-584 Sv, T&C Sv art. 579 aant Pro. 4 en Strijards, Revisie, Arnhem 1989, p. 182). Hij concludeerde dat hier geen sprake was van een novum als bedoeld in art. 457 lid 1 sub Pro 2° Sv. Immers; indien de rechter er wel van op de hoogte zou zijn geweest dat de persoon ter zitting de verkeerde personalia op had gegeven, zou hij die persoon niet hebben vrijgesproken, maar slechts in zijn vonnis de juiste naam hebben opgenomen. Verder merkte hij op dat herziening ingevolge art. 458 lid 1 Sv Pro slechts kan worden aangevraagd door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, de veroordeelde persoon en zijn of haar raadsman en dat aanvrager geen van deze identiteiten bezat. Volgens de Advocaat-Generaal was aanvraagster dan ook niet-ontvankelijk in haar aanvraag. Hij wees aanvraagster op de procedure van art. 579 Sv Pro in geval zij zou worden aangehouden tot het ondergaan van de opgelegde straf (zie ook HR 11 december 1990, DD 91.151) en op de mogelijkheid van het indienen van een verzoek tot verwijdering van de veroordeling op de voet van art. 22 van Pro de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De Hoge Raad volgde deze conclusie echter niet en verklaarde de aanvraag gegrond. Hij overwoog:
"4.2. De inhoud van de hiervoor onder 4.1.1 en 4.1.2 vermelde gegevens, in onderling verband en samenhang beschouwd, geeft steun aan de stelling dat de uitspraak waarvan herziening is gevraagd ten onrechte op naam van de aanvraagster is gesteld. Die situatie moet gelijk worden gesteld met die waarvan in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv sprake is, te weten dat de rechter een veroordeelde van het tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat (ik lees: de) Politierechter, als deze met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend was geweest, niet tot veroordeling ten name van de aanvraagster zou zijn gekomen."
8. De inhoud van de hiervoor onder 4 vermelde gegevens geven steun aan de stelling dat de uitspraak waarvan herziening is gevraagd ten onrechte op naam van de aanvrager is gesteld. Ingevolge HR 19 juni 2007, LJN: BA0427, moet deze situatie gelijk worden gesteld met die waarvan in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv sprake is, te weten dat de rechter een veroordeelde van het tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, indien hij met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend was geweest, niet tot de veroordeling ten name van de aanvrager zou zijn gekomen.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvraag vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,