1* En nog vijf instanties in de zaak van Juresta tegen haar vroegere advocaat mr. H, die Juresta onvoldoende gewaarschuwd zou hebben voor risico's van (dreiging met) executie. Die procedure leidde tot een nederlaag voor Juresta bij arrest van HR 2 februari 2007, nr. C05/302, NJ 2007, 92, LJN AZ4564.
2* Ontleend aan rov. 2.2-2.6 van het (eind-)arrest van het hof van 12 december 2006.
3* Verkort weergegeven in AMI 2000, p. 74.
4 Advex c.s. hebben daarnaast hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem tegen de vonnissen van de rechtbank Zutphen van 31 mei 2001, 13 december 2001 en 10 november 2004, gewezen in de procedure tussen Advex c.s. als eisers en Juresta als gedaagde (zaak met hofrolnummer 2005/208). Twee andere zaken bij het hof Arnhem betreffen het door Juresta ingestelde hoger beroep tegen de vonnissen van de rechtbank Zutphen van 31 mei 2001, 18 juli 2002 en 10 november 2004 (zaak met hofrolnummer 2005/196) en het door Juresta ingestelde hoger beroep tegen het bevelschrift van de rechtbank Zutphen van 8 februari 2005 (zaak met hofrolnummer 2005/203). Zie rov. 2.1-2.3 van het (tussen)arrest van het hof van 17 mei 2005.
5 Bij arrest van diezelfde datum (17 mei 2005) heeft het hof in het door Advex c.s. opgeworpen incident (zie hiervoor onder 3.6) de veroordeling van [eiser] tot betaling van de kosten van de procedure aan de zijde van Advex c.s. op (incidentele) vordering van Advex c.s. uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
6 Ook de tussen Advex c.s. en Juresta gewezen vonnissen van de rechtbank Zutphen zijn door het hof bekrachtigd (in de zaak met rolnummers 2005/196 en 2005/208).
7 (Eind)arrest van 12 december 2006; de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 9 maart 2007.
8 T.A.W. Sterk, Erkentenis van 'de waarheid', WPNR 5938 (1989), p. 706.
9 Burgerlijke Rechtsvordering, Rutgers, art. 154, aant. 2.
10 Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 113-114; Pitlo/Hidma&Rutgers, Bewijs, 2004, nr. 40; H.L.G. Wieten, Bewijs, 2008, p. 18; Beenders, T&C Rv (2008), art. 154, aant. 1-2; HR 17 februari 2006, NJ 2006, 156.
11 Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 117; Beenders, T&C Rv (2008), art. 154, aant. 3b; HR 1 februari 2002, NJ 2002, 121.
12 Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 117; Pitlo/Hidma&Rutgers, a.w., nr. 42; Wieten, a.w., p. 19.
13 Beenders, T&C Rv (2008), art. 154, aant. 4c.
14 Pitlo/Hidma&Rutgers, a.w., nr. 42.
15 Behoudens de bevoegdheid van de rechter bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat: zie Sterk, a.w., p. 707.
16 Sterk, a.w., p. 706-707.
17 Vgl. Burgerlijke Rechtsvordering, Rutgers, art. 151, aant. 4.
18 Dit middel is nagenoeg identiek aan middel I in de verwante zaak C07/094HR (in de conclusie in die zaak besproken in nrs. 5.2 t/m 5.8).
19* Zie Boonekamp, (losbl.) Schadevergoeding, art. 6:101, aant. 40.
20* A.L.M. Keirse, Schadebeperkinsplicht, diss. 2003, p. 118.
21* Hoewel de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad en de literatuur veeleer betrekking heeft op gevallen waarin onrechtmatig veroorzaakte letsel- of zaakschade aan de orde is, meen ik dat deze gezichtpunten even goed opgaan in een geval als hier aan de orde, waarin de onrechtmatige daad gelegen is in de onrechtmatige executie(-dreiging).
22* A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. 1965, nr. 279 onder a; Keirse, a.w., p. 118-121; Boonekamp, t.a.p., aant. 40 onder a.
23* Bloembergen, a.w., nr. 279 onder b; Keirse, a.w., p. 121-125; Boonekamp, t.a.p., aant. 40 onder b; Oosterveen, 2007, T&C BW, art. 6:101, aant. 4 en aangenomen in HR 9 mei 1986, NJ 1987, 252 m.nt. MS (Staat/Van Gelder), rov. 3.5; HR 1 juli 1993, NJ 1995, 150 m.nt. CJHB (Staat/ NCB), rov. 3.4; HR 24 januari 1997, NJ 1999, 56 m.nt. CJHB (De Ridder/Staat), rov. 3.4.2. Zie ook A-G Bloembergen in zijn conclusie voor laatstgenoemd arrest, die de 'voorrang' van de dader bij een wederzijdse mogelijkheid tot schadebeperking, zoals door Boonekamp in een algemene regel gesteld, ziet als een concretisering van het meer algemene beginsel dat men zich niet tegenover een ander kan beklagen over gedragingen (waaronder nalaten) die men zelf ook verricht.
24* Bloembergen, a.w., nr. 279 onder c; Keirse, a.w., p. 126-127; Boonekamp, t.a.p., aant. 40 onder c. Zie ook HR 5 oktober 1979, NJ 1980, 43 m.nt. GJS (Tauber/Verhey), waarin weliswaar sprake was van een mislukte, maar daarmee nog geen inadequate of niet serieuze poging om de schade te beperken.
25* Bloembergen, a.w., nr. 279 onder e; Keirse, a.w., p. 127-129.
26* Het gaat overigens niet zozeer om een schadebeperkingsplicht - een rechtens afdwingbare verbintenis tot handelen -, maar om een kwestie van toerekening van de schade. Bij niet handelen kan de benadeelde de daardoor ontstane schade niet afwentelen op de aansprakelijke persoon: zie Bloembergen, a.w., nr. 274; Asser-Hartkamp 4-I, 2004, nr. 453; Boonekamp, a.w., aant. 39.
27 Brief van 9 januari 1998; in hoger beroep overgelegd als productie 30A bij conclusie van antwoord in principaal hoger beroep tevens conclusie van eis in incidenteel hoger beroep tevens houdende incidentele conclusie ter zake de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening.
28 In hoger beroep overgelegd als productie 30B bij de in voetnoot 27 genoemde conclusie.
29 In hoger beroep overgelegd als productie 30C bij de in voetnoot 27 genoemde conclusie.
30 Dit middel is vrijwel identiek aan middel II in de zaak C07/094HR (in de conclusie in die zaak besproken in nrs. 5.9 t/m 5.15).
31* Zie Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 344.
32* Pilto/Hidma&Rutgers, Bewijs (2004), nr. 106, p. 177; H.L.G. Wieten, Bewijs (2008), p. 69. Het apart horen van partijen door de deskundigen is op zichzelf niet in strijd met enige rechtsregel, in aanmerking nemende dat partijen na het deskundigenrapport wel in ruime mate de gelegenheid hebben gekregen en hebben gebruikt voor een onderlinge discussie over de inhoud van het rapport: zie HR 12 februari 1993, NJ 1993, 234 (Fernandes/Oostdam).
33* HR 20 september 1996, NJ 1997, 328 m.nt. G.R. Rutgers (Halcion).
34* Zie Pitlo/Hidma&Rutgers, a.w., nr. 106, p. 178 met verwijzing naar EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278 m.nt. HJS (Mantovanelli) en vgl. HR 12 november 2004, nr. C05/137, LJN AP9636 (Tandheelkundige behandeling), rov. 3.6.1-3.6.3.
35* Vgl. HR 7 januari 1994, NJ 1994, 320 (De Vechtlanden/Otter c.s.); HR 15 juni 2001, NJ 2001, 435 (WE/VIB II); HR 12 november 2004 (zie vorige voetnoot). Zie voorts G. de Groot, Informatievergaring en deskundigenonderzoek, TCR 2007, p. 38; R.R. Verkerk, Procesrechtelijke waarborgen voor een betrouwbaar deskundigenonderzoek, NTBR 2007/10, p. 499; Beenders, T&C Rv, 2008, art. 198, aant. 3.
36* De Groot, t.a.p., p. 38; Verkerk, t.a.p., p. 499. Zie ook Rutgers aan het slot van zijn noot onder HR 20 september 1996, NJ 1997, 328 (Halcion).
37 Het rapport is overgelegd als productie 2 bij de in dit geding inleidende dagvaarding.
38* In de conclusie van repliek in cassatie wordt onder 3 nog geklaagd over de door Juresta ingediende incidentele conclusie, die door de rechtbank is aangemerkt als een antwoordconclusie na deskundigenbericht. Afgezien van het te late stadium waarin deze klacht wordt opgeworpen - voor zover hierin al een klacht moet worden gelezen - faalt ook deze klacht op de gronden zoals door het hof in rov. 3.23 uiteengezet, waaronder de mogelijkheid om in hoger beroep alsnog inhoudelijk op het deskundigenbericht te reageren.
39 Dit middel is gelijkluidend aan het derde middel in de aanverwante zaak C07/094HR (in de conclusie in die zaak besproken in nrs. 5.16 t/m 5.19).
40* De motiveringsklacht in de s.t. op p. 21, dat onbegrijpelijk blijft dat het gerechtshof feitelijk oordeelt dat Juresta en [eiser] verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor de kosten van Advex c.s. die zij hebben gemaakt terzake de herstart, terwijl Advex c.s. die kosten zelf in alle gevallen had moeten maken, wordt vanwege het stadium waarin deze wordt aangevoerd buiten beschouwing gelaten.
41* Juresta's conclusie van eis in hoger beroep, p. 24 onder 6.3.
42 Zie Juresta's conclusie van eis in hoger beroep, p. 24 onder 6.3 e.v. en productie 18 in de zaak met rolnummer 2005/196 (in cassatie onder rolnummer C07/094HR). Zie voor de stellingen van [eiser] terzake herberekening II in deze zaak zijn conclusie van antwoord in principaal hoger beroep tevens conclusie van eis in incidenteel hoger beroep tevens houdende incidentele conclusie ter zake de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, p. 82 en productie 34B.
43* Daarop komt overigens een post 'overige algemene kosten' voor, die niet verder is uitgewerkt en waarmee dus ook niet wordt aangegeven wat daaronder moet worden verstaan.
44* Zie rov. 3.31 van 's hofs arrest en ook HR 5 december 2003, NJ 2004, 74 (Stichting/NHL).
45 Zie de conclusie van eis in hoger beroep in de zaak met hofrolnummer 2005/196 (in cassatie onder rolnummer C07/094HR). Zie in deze zaak de in voetnoot 43 genoemde conclusie, p. 80 e.v.
46 Memorie van antwoord, p. 19-20 onder 51 in de zaak met hofrolnummer 2005/196 (in cassatie onder rolnummer C07/094HR). Zie in deze zaak de (later genomen) memorie van antwoord in incidenteel beroep, p. 10 onder 26-27, waarin Advex c.s. spreken over 'een onbekende accountant' respectievelijk 'de onbekende heren R.W. Paalman en H.J. Salemink'.
47 Dit middel komt overeen met middel IV in de verwante zaak C07/094HR (in de conclusie in die zaak besproken in nrs. 5.20 t/m 5.24).
48* Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 339; HR 18 april 1986, NJ 1986, 567 m.nt. G, rov. 3.3; HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 196 m.nt. ARB, rov. 3.8 en laatstelijk HR 27 juni 2008, C07/068, RvdW 2008, 683, LJN: BD1842, rov. 3.4 (tweede alinea).
49* HR 5 december 2003, NJ 2004, 74, rov. 3.5 (Stichting/NHL).