ECLI:NL:PHR:2008:BF3928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlenging partneralimentatie na wettelijke termijn van twaalf jaar
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de partneralimentatieverplichting van de man jegens de vrouw na het verstrijken van de wettelijke termijn van twaalf jaar zoals bepaald in artikel 1:157 lid 4 BW Pro. Partijen waren ruim achttien jaar gehuwd geweest en uit het huwelijk waren vier kinderen geboren. De vrouw had tijdens het huwelijk de zorg voor de kinderen op zich genomen en had geen werkkring. Na de echtscheiding bleef zij de verzorging voortzetten en was zij financieel afhankelijk van de alimentatie.
De vrouw verzocht de rechtbank Utrecht om verlenging van de alimentatieverplichting tot haar 65ste levensjaar, omdat zij geen uitzicht had op eigen inkomen en gezondheidsproblemen ondervond. De rechtbank en het hof wezen dit verzoek af, waarbij het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende had aangetoond dat bijzondere omstandigheden bestonden die verlenging rechtvaardigen. Ook het vermogen dat de vrouw had opgebouwd uit verkoop van onroerend goed achtte het hof niet noodzakelijk voor de kinderen.
De Hoge Raad bevestigt de terughoudende opstelling bij verlenging van de alimentatie na twaalf jaar en benadrukt dat bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde moeten worden vastgesteld voordat draagkracht van de alimentatieplichtige wordt meegewogen. De klachten van de vrouw over het oordeel van het hof worden verworpen, waarbij de Hoge Raad stelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat bijzondere omstandigheden ontbraken en dat de draagkracht van de man buiten beschouwing mocht blijven. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de alimentatieplicht eindigt na twaalf jaar zonder verlenging.