ECLI:NL:PHR:2008:BF3920

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02111
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 2 Eerste Protocol EVRMArt. 1:254 lid 1 BWArt. 1:261 BWArt. 426a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige

De ouders hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van hun minderjarige zoon werd bevestigd. Het hof had op 13 mei 2008 de beschikking van de rechtbank Utrecht van 21 januari 2008 bekrachtigd, waarbij de termijn van ondertoezichtstelling met één jaar en de uithuisplaatsing met twaalf maanden werd verlengd.

Het cassatieberoep berustte op één middel dat twee klachten omvatte. De eerste klacht betrof het oordeel van het hof dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog steeds aanwezig waren. Deze klacht werd verworpen omdat zij niet voldeed aan de motiveringsvereisten van art. 426a lid 2 Rv en feitelijk neerkwam op een hernieuwde beoordeling van de feiten, wat in cassatie niet aan de orde is.

De tweede klacht richtte zich tegen de afwijzing door het hof van het verzoek van de ouders om de machtiging tot uithuisplaatsing slechts te verlengen tot het einde van het schooljaar. Het hof had overwogen dat de positieve ontwikkelingen van de zoon nog pril waren en dat in de volgende fase van de behandeling zou blijken of hij het geleerde zelfstandig in de praktijk kon toepassen. Het hof achtte het daarom niet onbegrijpelijk om het verzoek af te wijzen.

De Hoge Raad concludeerde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en wees het beroep af met toepassing van art. 81 RO Pro. Er was geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders wordt verworpen en de verlenging van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing wordt bevestigd.

Conclusie

08/02111
Mr L. Strikwerda
Parket, 26 sept. 2008
conclusie inzake
1. [Verzoeker 1]
2. [Verzoekster 2]
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoekers tot cassatie, hierna: de ouders, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 13 mei 2008, waarbij het hof op het hoger beroep van de ouders heeft bekrachtigd de beschikkingen van de rechtbank Utrecht d.d. 21 januari 2008, waarbij op verzoek van thans verweerster in cassatie, hierna: Bureau Jeugdzorg, de termijn waarvoor de minderjarige zoon van de ouders, hierna: [de zoon], onder toezicht van Bureau Jeugdzorg is gesteld, heeft verlengd met één jaar, met ingang van 23 januari 2008, en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de zoon] heeft verlengd met ingang van 23 januari 2008 voor de tijd van twaalf maanden.
2. Het cassatieberoep berust op één middel. Het middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat de Hoge Raad de klachten kan verwerpen met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
3. Het middel behelst, als ik het goed zie, twee klachten.
4. De eerste klacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn.
5. Voor zover deze klacht ertoe strekt te betogen dat het hof met zijn oordeel art. 8 EVRM Pro, art. 2 Eerste Pro Protocol bij het EVRM, art. 1:254 lid 1 BW Pro en art. 1:261 BW Pro heeft geschonden, kan zij niet tot cassatie leiden. De klacht voldoet niet aan de eisen die ingevolge art. 426a lid 2 Rv gelden voor een cassatieklacht, nu in het geheel niet wordt aangegeven in welk opzicht en waarom het hof de genoemde verdrags- en wetsartikelen zou hebben geschonden.
6. Ook voor zover de klacht inhoudt dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk of anderszins gebrekkig gemotiveerd is, voldoet de klacht niet aan de eisen die ingevolge art. 426a lid 2 Rv gelden voor een cassatieklacht, aangezien de klacht niet aangeeft waarom het hof is tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht. De klacht vraagt in feite om een hernieuwde beoordeling en waardering van in de feitelijke instanties door de ouders gestelde feiten en omstandigheden. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats.
7. De tweede klacht is kennelijk gericht tegen de afwijzing door het hof van het namens de ouders ter zitting gedane verzoek de machtiging tot uithuisplaatsing slechts te verlengen tot en met het einde van het schooljaar. De tegen die afwijzing gerichte klacht begrijp ik zo dat het hof zijn beslissing onbegrijpelijk zou hebben gemotiveerd, nu het hof heeft overwogen dat in de volgende fase van de behandeling zal blijken of [de zoon] daadwerkelijk in staat is het door hem geleerde zelfstandig in de praktijk toe te passen, terwijl het - aldus de klacht - voor [de zoon] slechts mogelijk is het door hem geleerde zelfstandig in de praktijk toe te passen als hij naar huis mag terugkeren.
8. Het Hof heeft overwogen dat de positieve ontwikkelingen van [de zoon] nog erg pril zijn en dat in de volgende fase van zijn behandeling [de zoon] meer verantwoordelijkheden zal krijgen en zijn bewegingsvrijheid zal worden uitgebreid. Op grond van deze overwegingen is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat in de volgende fase van de behandeling zal (moeten) blijken of [de zoon] daadwerkelijk in staat is het door hem geleerde in de praktijk toe te passen en het door de klacht bedoelde verzoek van de ouders heeft afgewezen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,