ECLI:NL:PHR:2008:BE9606
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling cassatieberoep inzake strafoplegging en bewijswaardering in verkeersovertredingen
Verdachte werd door het Gerechtshof veroordeeld voor meerdere verkeersovertredingen, waaronder het rijden zonder verzekering, en kreeg onvoorwaardelijke hechtenis opgelegd voor één van de feiten. Tegen dit vonnis werd cassatieberoep ingesteld met als hoofdklacht dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bewijs van de verbalisant betrouwbaar was, ondanks twijfel over diens waarnemingen.
De Hoge Raad oordeelde dat de verdediging geen uitdrukkelijk en onderbouwd standpunt had ingenomen dat het hof had moeten weerleggen, en dat het hof wel degelijk de verklaring van de verbalisant en diens getuigenis ter terechtzitting had betrokken bij zijn bewijswaardering. Tevens werd vastgesteld dat het hof met de oplegging van onvoorwaardelijke hechtenis buiten zijn bevoegdheid was getreden op grond van het toen geldende art. 425 lid 2 Sv Pro, maar dat dit een vervallen procesregel betrof en geen reden was voor ambtshalve cassatie.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep moest worden verworpen en dat er geen aanleiding was tot ambtshalve vernietiging van het arrest, tenzij de Hoge Raad anders zou oordelen over de strafoplegging, in welk geval een herziening mogelijk was. Uiteindelijk werd het beroep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en het hofarrest bleef in stand ondanks een onvoorwaardelijke hechtenisstraf die formeel buiten de bevoegdheid viel.