ECLI:NL:PHR:2008:BE9606

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00810/07
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 425 lid 2 SvArt. 359 lid 2 SvArt. 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep inzake strafoplegging en bewijswaardering in verkeersovertredingen

Verdachte werd door het Gerechtshof veroordeeld voor meerdere verkeersovertredingen, waaronder het rijden zonder verzekering, en kreeg onvoorwaardelijke hechtenis opgelegd voor één van de feiten. Tegen dit vonnis werd cassatieberoep ingesteld met als hoofdklacht dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bewijs van de verbalisant betrouwbaar was, ondanks twijfel over diens waarnemingen.

De Hoge Raad oordeelde dat de verdediging geen uitdrukkelijk en onderbouwd standpunt had ingenomen dat het hof had moeten weerleggen, en dat het hof wel degelijk de verklaring van de verbalisant en diens getuigenis ter terechtzitting had betrokken bij zijn bewijswaardering. Tevens werd vastgesteld dat het hof met de oplegging van onvoorwaardelijke hechtenis buiten zijn bevoegdheid was getreden op grond van het toen geldende art. 425 lid 2 Sv Pro, maar dat dit een vervallen procesregel betrof en geen reden was voor ambtshalve cassatie.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep moest worden verworpen en dat er geen aanleiding was tot ambtshalve vernietiging van het arrest, tenzij de Hoge Raad anders zou oordelen over de strafoplegging, in welk geval een herziening mogelijk was. Uiteindelijk werd het beroep verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en het hofarrest bleef in stand ondanks een onvoorwaardelijke hechtenisstraf die formeel buiten de bevoegdheid viel.

Conclusie

Nr. 00810/07
Mr. Knigge
Zitting: 26 augustus 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door de Enkelvoudige Kamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 22 november 2006 voor 1: "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 2: "overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994" en 3: "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" veroordeeld tot hechtenisstraffen van onderscheidenlijk drie weken, twee weken en drie weken. Voorts heeft het Hof bij feit 2 de auto en een sleutelbos verbeurd verklaard.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel beoogt kennelijk te klagen over schending van art. 359 lid 2 laatste Pro volzin Sv (en niet over lid 3 zoals in de cassatieschriftuur staat vermeld), omdat het Hof niet expliciet heeft gereageerd op het verweer over de herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant 1].
5. Wil een beroep in cassatie op schending van art. 359 lid 2 Sv Pro slagen dan zal de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moeten hebben ingenomen. Voor zover in cassatie wordt geciteerd uit hetgeen bij de Kantonrechter is aangedragen, kan daarop geen acht worden geslagen. De steller in cassatie citeert daarnaast ook uit zijn aan het Hof overgelegde en aan de aantekening mondeling arrest gehechte pleitnota:
"Het is niet uitgesloten dat [verbalisant 1] zich in de persoon van cliënt heeft vergist. Het was donker, een afstand van 20 meter, de bestuurder zat in een auto waardoor je moeilijker te herkennen bent, de getuige weet niet meer of hij de bestuurder van voren of van opzij heeft gezien, de getuige kan de bestuurder niet verder beschrijven door de zitpositie in de auto van de getuige."
6. Aan het slot van de pleitnota wordt dan nog gesteld dat er "nogal wat vraagtekens" zijn te zetten bij de verklaring van getuige [verbalisant 1] en dat dit meebrengt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De vraag is of het Hof het aangevoerde had moeten opvatten als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Eigenlijk heeft de verdediging niet meer gedaan dan twijfel geuit over de waarnemingen van [verbalisant 1], hetgeen in het algemeen onvoldoende is om van een onderbouwd standpunt te kunnen spreken.(1)
7. Belangrijker nog is het volgende. Het motiveringsgebrek waarover het middel klaagt, zou bestaan in het feit dat het Hof zich niet heeft uitgelaten over het standpunt van de raadsman. Die klacht mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft niet alleen het proces-verbaal van de verbalisant voor het bewijs gebezigd, maar ook diens ter terechtzitting van de Kantonrechter aflegde verklaring met betrekking tot de betrouwbaarheid van zijn waarnemingen. Bovendien heeft het Hof in de aantekening mondeling arrest het volgende opgenomen:
"Bewijsoverweging:
Blijkens voornoemd proces-verbaal van bevindingen van 4 september 2003 hing de contactsleutel van de volkswagen Golf aan een sleutelbos met daaraan een ring en een sleutelhanger die volgens de verklaring van verdachte aan hem toebehoren. Dit levert - met de verklaringen van verbalisant [verbalisant 1] - het wettig en overtuigende bewijs dat het de verdachte is geweest die in de personenauto heeft gereden. Het Hof acht de verklaring van verdachte dat hij, na twee dagen de Volkswagen Golf te hebben gehad, deze heeft doorverkocht aan een zekere [betrokkene 2] niet geloofwaardig. Hetzelfde geldt voor de verklaring dienaangaande van [betrokkene 1]."
8. Over de begrijpelijkheid van deze overweging wordt in het middel niet geklaagd.
9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
10. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. De Enkelvoudige Kamer van het Hof heeft voor feit 2 een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf opgelegd van twee weken hechtenis (en de auto met sleutelbos verbeurd verklaard). De Kantonrechter had echter voor dit feit volstaan met een geldboete. Dat brengt met zich dat de strafoplegging in zoverre in strijd is met art. 425 lid Pro 2 (oud) Sv. Art. 425 lid 2 Sv Pro, dat gold ten tijde van het wijzen van het arrest, verbood de unus in appèl een onvoorwaardelijke straf of maatregel op te leggen die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan bij vonnis in eerste aanleg is opgelegd.(2) Gelet evenwel op het feit dat (1) de opgelegde straf binnen het wettelijke strafmaximum is gebleven, (2) het gaat om de schending van een - inmiddels vervallen - processueel voorschrift (het Hof had de zaak naar de meervoudige kamer kunnen verwijzen als het zich van de beperking van art. 425 lid Pro 2 (oud) Sv bewust was geweest) en (3) in cassatie niet over de strafoplegging wordt geklaagd, meen ik dat er geen reden is voor ambtshalve cassatie.
11. Indien de Hoge Raad daarover anders zou oordelen kan hij ermee volstaan het arrest te vernietigen ten aanzien van de opgelegde hechtenis voor feit 2 en de zaak zelf af te doen door verdachte voor feit 2 een andere hoofdstraf op te leggen met inachtneming van art. 425 lid Pro 2 (oud) Sv.
12. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 16 mei 2006, LJN AU8266.
2 Bij het vervallen van art. 425 lid 2 Sv Pro vat de Minister dit artikellid wel heel ruim op. In de Memorie van Toelichting lijkt het alsof het tweede lid voorschreef dat de enkelvoudige kamer in appel niet boven de straf opgelegd in eerste aanleg mocht uitkomen (Kamerstukken II, 30320, nr 3, par. 3.5., (stroomlijnen hoger beroep)), maar bedoeld lid 2 was beperkt tot onvoorwaardelijke, vrijheidsbenemende straffen.