ECLI:NL:PHR:2008:BE9603

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00804/07
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 5 OpiumwetArt. 3 onder A OpiumwetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen bij drugssmokkel van 150 kilo hasjiesj

Op 1 november 2005 werden verdachte en zijn medepassagier staande gehouden bij Zevenbergschenhoek. In hun auto werden 150 kilogram hasjiesj aangetroffen in tassen op de achterbank. Verdachte verklaarde dat hij in opdracht van een onbekende man een auto met Frans kenteken naar Frankrijk moest brengen en dat hij pas later zag dat er tassen met hasjiesj in de auto lagen.

Het Hof veroordeelde verdachte wegens medeplegen van het opzettelijk buiten Nederland brengen van hasjiesj tot 15 maanden gevangenisstraf. Verdachte stelde in cassatie dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig was omdat het Hof medeplegen had bewezen verklaard maar verdachte alleen had veroordeeld.

De Hoge Raad oordeelde dat de woorden "tezamen en in vereniging met een ander" een feitelijke omschrijving van medeplegen zijn en dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat verdachte de uitvoeringshandeling alleen verrichtte, maar in samenwerking met een ander handelde. De klacht faalde daarom. Het cassatiemiddel werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van drugssmokkel met 15 maanden gevangenisstraf.

Conclusie

Nr. 00804/07
Mr. Knigge
Zitting: 26 augustus 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Verder heeft het Hof de teruggave gelast van inbeslaggenomen voorwerpen op de wijze zoals in het arrest vermeld.
2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is, nu het Hof in het kwalificatieve deel van de bewezenverklaring bewezen heeft verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander een hoeveelheid hasjiesj buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, terwijl het Hof vervolgens bewezen heeft verklaard dat verdachte alleen het feit zou hebben gepleegd.
4. Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 01 november 2005 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, ongeveer 150 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk toen aldaar genoemde hasjiesj vervoerd in een auto teneinde die hasjiesj naar België en/of Frankrijk en/of Marokko, althans een buiten het grondgebied van Nederland gelegen land te brengen."
5. Het Hof heeft ten aanzien van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 01 november 2005 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, ongeveer 150 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte opzettelijk toen aldaar genoemde hasjiesj vervoerd in een auto teneinde die hasjiesj naar Frankrijk te brengen."
6. Zoals uit de toelichting op het middel blijkt, berust de uitleg die de steller van het middel aan de bewezenverklaring geeft, op het feit dat het Hof partieel heeft vrijgesproken van het in de tenlastelegging na het woord "immers" feitelijk uitgewerkte medeplegen. Het Hof heeft namelijk niet bewezenverklaard, zoals in bedoeld gedeelte van de tenlastelegging was opgenomen, dat de verdachte "en/of zijn mededader(s)" de hasjiesj opzettelijk hebben vervoerd. Die partiële vrijspraak - die lijkt te impliceren dat het Hof medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen achtte - zou niet te rijmen zijn met het in het meer kwalificatieve deel van de bewezenverklaring voorkomende medeplegen.
7. In het verkorte arrest heeft het Hof bijzondere overwegingen aan het bewijs gewijd. Deze overwegingen - die gedragen worden door de in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen - luiden als volgt:
"De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en evengenoemde bewijsmiddelen zijn de navolgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen:
- op 1 november 2005 werden verdachte en zijn mede-passagier, te weten: medeverdachte [medeverdachte 1], rijdend in een Volkswagen Golf met Frans kenteken, ter hoogte van Zevenbergschenhoek door verbalisanten staandegehouden;
- tijdens de op die staandehouding volgende controle van de persoonsgegevens van de bestuurder, zijnde verdachte, rook een van de verbalisanten door het geopende portierraam van die auto een sterke henneplucht;
- bij controle van het voertuig stuitten de verbalisanten onder andere op de achterbank op 2 weekendtassen en 2 linnen tassen;
- van 1 van de weekendtassen was de bovenzijde geopend en in die tas bevonden zich in bruin plakband omwikkelde pakketten; bij één pakket, die bovenop lag, was de verpakking losgesneden en de verbalisant constateerde dat dit pakket hasjiesj bevatte; hierop zijn beide passagiers van de auto aangehouden;
- uiteindelijk bleken evengenoemde weekend- en linnen tassen in totaal 150 kilogram hasjiesj te bevatten
Verdachte heeft zowel bij zijn verhoren bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg het standpunt betrokken dat hij geen wetenschap had van de in de door hem bestuurde auto aangetroffen hasjiesj en derhalve niet wist dat hij verdovende middelen naar het buitenland aan het vervoeren was. Verdachtes raadsman heeft daaraan de conclusie verbonden dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit.
Dienaangaande overweegt het hof het navolgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij in opdracht van een hem onbekende kale man de van een Frans kenteken voorziene Volkswagen Golf naar Frankrijk moest brengen. Toen verdachte van die man de Volkswagen kreeg, is hij samen met de medepassagier in die auto naar Rotterdam-Zuid gereden. Daar is hij samen met de medeverdachte uit de auto gestapt en heeft hij de sleutels aan de kale man gegeven, waarna deze met die auto is weggereden. Enige tijd later werd de auto door een andere voor verdachte onbekende persoon weer terug gebracht. In de tussentijd is verdachte samen met zijn medepassagier in een café gaan zitten en hebben daar gewacht totdat de auto weer terug werd gebracht.
Nadat de auto door die laatstgenoemde onbekende persoon terug was gebracht, zijn verdachte en de medeverdachte in de auto gestapt en gaan rijden op weg naar Frankrijk. Verdachte heeft verklaard dat hij, voordat hij op weg ging naar Frankrijk, wel had gezien dat zich inmiddels achterin de auto 4 tassen bevonden, die daar voordien nog niet aanwezig waren.
Verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie onder meer verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij van de laatstgenoemde onbekende man had gehoord dat er in die tassen papier zat, dat naar de eigenaar daarvan in Frankrijk gebracht moest worden, maar dat hij de inhoud van die tassen niet heeft geverifieerd. Dat laatste was naar 's hofs oordeel onder de even weergegeven omstandigheden aangewezen geweest, te meer vanwege het feit dat het in casu ging om grensoverschrijdend vervoer van goederen.
Onder al die voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans dat hij in een personenauto verdovende middelen - zoals hasjiesj - buiten het grondgebied van Nederland bracht, heeft aanvaard en aldus voorwaardelijk zijn opzet daarop gericht heeft gehad."
8. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "Medeplegen van: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod".
9. Zoals uit de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs blijkt waren naast de verdachte tenminste drie andere personen bij de uitvoer van de hasjiesj betrokken: verdachtes passagier, de kale man en de onbekende man die de volgeladen auto naar het café reed waar verdachte en zijn passagier zaten te wachten.
10. Het Hof heeft in het "kwalificatieve" gedeelte van de bewezenverklaring bewezenverklaard dat sprake was van buiten het grondgebied van Nederland brengen "als bedoeld in art. 1 lid 5 van Pro de Opiumwet". Dit vijfde lid houdt in dat onder bedoeld begrip onder meer is begrepen "het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden" van de drugs.
11. Het oordeel van het Hof kan in het licht van het voorgaande aldus begrepen worden dat de verdachte het feit in ieder geval met één ander heeft medegepleegd. Die ander is kennelijk de kale man, die de hasjiesj met bestemming buitenland ten vervoer heeft aangeboden aan verdachte en zijn passagier. Aldus heeft het Hof in het midden gelaten - gelijk het kon doen - of verdachtes medepassagier en de onbekende man die de volgeladen auto naar het café reed, met het vereiste opzet handelden. Dat de kale man opzet had, kan zonder moeite uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.
12. Zogezien is van een innerlijk tegenstrijdige bewezenverklaring - of van een bewezenverklaring die strijdt met de partiële vrijspraak - geen sprake. De bewezenverklaring moet kennelijk aldus begrepen worden dat de verdachte de feitelijke uitvoeringshandeling weliswaar in zijn eentje (dus niet samen met zijn medepassagier) verrichtte, maar dat die uitvoeringshandeling desalniettemin in samenwerking met een ander (de kale man) werd verricht. Het middel berust aldus op een onjuiste uitleg van de bewezenverklaring en faalt mitsdien bij gebrek aan feitelijke grondslag.
13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG