ECLI:NL:PHR:2008:BD7590

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02285
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voorlopige machtiging bij vrijwillige opname psychiatrisch ziekenhuis

Betrokkene was vrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De officier van justitie verzocht om een voorlopige machtiging om het verblijf voort te zetten, omdat betrokkene geen blijk gaf van de nodige bereidheid tot opname en behandeling. De rechtbank verleende de machtiging voor zes maanden, stellende dat betrokkene door haar psychotische stoornis gevaar voor zichzelf oplevert en onregelmatig medicatie gebruikt.

Betrokkene stelde zich op het standpunt dat zij vrijwillig wilde blijven en dat het verzoek daarom moest worden afgewezen. De behandelend arts betoogde dat de bereidheid wisselvallig en onvoldoende was vanwege het ontbreken van ziekte-inzicht. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank over het ontbreken van de nodige bereidheid niet in cassatie kan worden herzien, omdat dit een feitelijke beoordeling betreft.

De Hoge Raad concludeerde dat de voorlopige machtiging terecht is verleend en verwierp het cassatieberoep. Er was voldoende gemotiveerd dat de stoornis van betrokkene gevaar oplevert en dat de bereidheid tot vrijwillig verblijf ontbrak.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de voorlopige machtiging ondanks vrijwillige opname.

Conclusie

08/02285
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 11 juli 2008
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
tegen
Officier van Justitie te Rotterdam
Het cassatiemiddel in deze Bopz-zaak heeft betrekking op het criterium van de nodige bereidheid.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Verzoekster in cassatie (hierna: betrokkene) is vrijwillig opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis Bouman GGZ, afdeling Kliniek. De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft op 8 april 2008 de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene heeft doen onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 4]. Ook zijn een afschrift van het behandelingsplan en de aantekeningen omtrent de behandeling bijgevoegd. In de geneeskundige verklaring (rubriek 3) is aangekruist dat betrokkene geen blijk geeft van bereidheid tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.
1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 23 april 2008, in aanwezigheid van betrokkene en haar raadsman, de behandelend psychiater [betrokkene 1] en de arts [betrokkene 2] namens de behandelaar [betrokkene 3]. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden. Volgens de rechtbank doet de stoornis van de geestvermogens betrokkene het volgende gevaar opleveren voor haarzelf:
"Betrokkene neemt onregelmatig haar medicatie, wat leidt tot psychotische ideeën; ze denkt dan dat ze is verkracht of dat ze zwanger is. Ze kan niet zelfstandig functioneren in de maatschappij en het gevaar bestaat dat ze door haar hinderlijke gedrag agressie van anderen oproept."
1.3. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Voor opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis is een voorlopige machtiging vereist indien ter zake daarvan de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid. Indien de betrokkene reeds vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, is de machtiging vereist indien de betrokkene ervan blijk geeft het vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te willen beëindigen (art. 2, lid 3 en lid 4, Wet Bopz)(1). Een voorlopige machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken en dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend (art. 2, lid 2, Wet Bopz).
2.2. Onder verwijzing naar de geneeskundige verklaring en de mondelinge toelichting van de behandelend arts ter zitting heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis te verblijven.
2.3. De aangehaalde geneeskundige verklaring vermeldt dat betrokkene psychotisch is en geen ziekte-inzicht heeft (4.a). Onder 6.a is vermeld: "Patiënte is niet in staat voor zichzelf te zorgen, zij is nu reeds een jaar opgenomen en is nog onvoldoende hersteld, zij leek kortdurende aan de beterende hand, doch derailleerde direct toen zij van een zeer gestructureerde afdeling overgeplaatst werd naar een afdeling met relatief meer vrijheid." Ter zitting heeft betrokkene gesteld: "Doel is beschermd wonen of op mezelf. Ik heb inderdaad nog hulp nodig. Ik ben vrijwillig gekomen en ik ga ook vrijwillig weer weg". Namens betrokkene is in eerste aanleg het verweer gevoerd dat zij vrijwillig in het ziekenhuis wil blijven en dat het verzoek van de officier van justitie vanwege die vrijwilligheid behoort te worden afgewezen. Van de zijde van de behandelende arts is ter zitting hiertegenover gesteld dat de door betrokkene getoonde bereidheid tot verblijf onvoldoende is: "De vrijwilligheid is niet consistent". Ook heeft deze arts erop gewezen dat betrokkene volgens het behandelingsplan een chronische psychotische stoornis heeft.
2.4. Het cassatiemiddel stelt dat betrokkene in eerste aanleg - ter zitting en in een brief(2) - te kennen heeft gegeven dat zij vrijwillig wil blijven en vrijwillig behandeld wil worden. De klacht houdt niet meer in dan het standpunt dat: (a) betrokkene niet voldoet aan het gevaarscriterium, nu zij bereid is vrijwillig de behandeling te ondergaan en te blijven en (b) de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de bereidheid van betrokkene ontbrak.
2.5. In de verwijzing naar de geneeskundige verklaring en de mondelinge toelichting van de behandelend arts ter zitting ligt besloten dat de rechtbank van oordeel is dat de door betrokkene uitgesproken bereidverklaring niet kan worden aangemerkt als de voor een vrijwillig verblijf vereiste nodige bereidheid. Kennelijk is de achterliggende gedachte dat de bereidheid wisselvallig is als gevolg van ontbrekend ziekte-inzicht. Hoe dan ook, het middel bevat niet een concrete rechts- of motiveringsklacht over het oordeel dat de uitgesproken bereidverklaring onvoldoende is om deze aan te merken als de nodige bereidheid. De vraag of de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de nodige bereidheid ontbrak, kan zo in cassatie niet worden beantwoord; daarvoor is onderzoek naar de feiten nodig, dat is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Ook de in alinea 1.2 hiervoor aangehaalde overweging van de rechtbank is in cassatie niet bestreden. Daarmee heeft de rechtbank voldoende begrijpelijk aangegeven dat en waarom de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar voor zichzelf doet veroorzaken.
2.6. De slotsom is dat het middel faalt. Het middel noopt m.i. niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie over deze maatstaf laatstelijk: HR 8 februari 2008, BJ 2008, 18 m.nt. T.P. Widdershoven onder nr. 20.
2 Ter zitting heeft betrokkene verklaard dat zij vrijwillig wil blijven. De in het middel bedoelde brief bevond zich niet onder de ingezonden gedingstukken. Door de advocaat van betrokkene is een schriftelijke bereidverklaring aan de Hoge Raad nagezonden. Hoewel niet vaststaat dat de rechtbank van die brief kennis heeft genomen, wil ik veronderstellenderwijs daarvan uitgaan.