Rolnr. C07/075HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 27 juni 2008
1. [Verweerster 1]
2. [Verweerder 2]
3. [Verweerster 3]
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft een geschil over de verkoop en levering van 119 ramlammeren. Partijen houdt verdeeld welke koopprijs de afnemer verschuldigd is. Inzet in cassatie is de vraag of het hof heeft kunnen oordelen dat de leverancier de door hem gestelde, door de afnemer verschuldigde koopprijs onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd en of het hof heeft mogen voorbijgaan aan het desbetreffende bewijsaanbod van de leverancier.
2. Vaststaat dat thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], aan thans verweerders in cassatie, hierna: [verweerder] c.s., 119 ramlammeren heeft geleverd. [Eiser], die stelt dat [verweerder] c.s. een prijs van Euro 180,- excl. BTW per lam als koopprijs zijn verschuldigd, heeft ter zake van de leverantie aan [verweerder] c.s. een factuur d.d. 2 februari 2005 gestuurd ten bedrage van Euro 22.705,20 incl. BTW. Volgens [verweerder] c.s. zijn zij ter zake van de leverantie slechts een koopprijs van Euro 125,- excl. BTW per lam verschuldigd, derhalve in totaal Euro 14.875,-.
3. In eerste aanleg heeft de rechtbank Utrecht na het houden van een comparitie van partijen bij vonnis van 28 december 2005 [verweerder] c.s. in het gelijk gesteld en geoordeeld dat [verweerder] c.s. ter zake van de leverantie van de 119 lammeren een bedrag van Euro 14.875,- aan [eiser] zijn verschuldigd. Daartoe overwoog de rechtbank onder meer (r.o. 4.5):
"[Verweerder] heeft gesteld dat een prijs van Euro 125,- per lam is overeengekomen. [Eiser] heeft erkend dat aanvankelijk was afgesproken dat de lammeren zouden worden geleverd tegen de dagprijs, die ongeveer Euro 122,- bedroeg. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [eiser] dat nadien een nieuwe prijsafspraak is gemaakt, nu hij geen eenduidige onderbouwing voor deze stelling heeft gegeven. [Eiser] heeft immers enerzijds gesteld dat het binnen de bedrijfstak gangbaar is dat de handelsprijs op het moment van levering wordt berekend, en dat de handelsprijs aanmerkelijk was opgedreven in verband met het islamitische offerfeest. Volgens [eiser] was Euro 180,- per lam de gangbare prijs op het moment van levering, zodat [verweerder] deze prijs was verschuldigd. Anderzijds heeft [eiser] gesteld - overigens zonder nadere onderbouwing - dat [verweerder] in plaats van de afgesproken 200 lammeren slechts 119 lammeren wilde afnemen en dat hierdoor de prijs per lam hoger werd, hetgeen volgens hem ook met [verweerder] zou zijn besproken.
De rechtbank gaat derhalve uit van de juistheid van de stelling van [verweerder] dat een prijs van Euro 125,- per lam is overeengekomen (...)."
4. [Eiser] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam. Met grief I richtte [eiser] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat uitgegaan wordt van de juistheid van de stelling van [verweerder] c.s. dat een prijs van Euro 125,- per lam is overeengekomen en dat [verweerder] c.s. derhalve ter zake van de leverantie van de 119 lammeren een bedrag van Euro 14.875,- aan [eiser] verschuldigd zijn. Ter toelichting op zijn grief heeft [eiser] onder meer aangevoerd dat het in de bedrijfstak gangbaar is dat eerst een bestelling wordt geplaatst en dat de op het moment van levering gangbare handelsprijs wordt doorberekend. De levering van de onderhavige lammeren vond plaats kort voor het Islamitische offerfeest, zodat de handelsprijs daardoor werd opgedreven en het bedrag van Euro 180.- per lam op het moment van levering aan [verweerder] c.s. een gangbare prijs was. Daarom zijn [verweerder] c.s., aldus [eiser], die prijs per lam aan hem verschuldigd. Daarbij komt nog dat [verweerder] c.s. aanvankelijk 200 lammeren hadden besteld en kort voor de levering ongeveer 100 lammeren hebben afbesteld, hetgeen ook een hogere prijs per lam rechtvaardigt, aldus [eiser] die bewijs aanbood van zijn stellingen.
5. Het hof heeft de grief verworpen en overwoog daartoe (r.o. 4.3):
"De rechtbank heeft in eerste aanleg op 12 september 2005 een comparitie van partijen gehouden.
[Eiser] heeft daar blijkens het door hem ondertekende proces-verbaal het volgende verklaard:
'Met betrekking tot de 119 lammeren hadden wij geen prijs afgesproken. Dat kon ook niet, want wij moesten eerst aankopen en dan pas kunnen wij rekenen. Wij hadden slechts afgesproken dat wij 200 lammeren zouden leveren. [Verweerder 2] heeft uiteindelijk maar 119 lammeren afgenomen.
De afspraak was dat geleverd zou worden tegen de dagprijs. De dagprijs was ongeveer Euro 120,-, wij hadden zelf tegen die prijs aangekocht.' (onderstreping hof).
In de toelichting op deze grief geeft [eiser] geen enkele verklaring of nadere uitleg omtrent de inhoud van deze verklaring. Hij wijdt er geen enkel woord aan.
Gezien de stelligheid van deze verklaring is zonder nadere toelichting - die niet is gegeven - ook niet aannemelijk dat de inhoud van die verklaring op een fout of een vergissing berust.
Gelet hierop, is in de toelichting op de grief onvoldoende feitelijk onderbouwd waarom [verweerder] c.s. desondanks een bedrag van Euro 180,- per lam als koopprijs verschuldigd zouden zijn.
Dat [verweerder] c.s. minder lammeren hebben afgenomen dan zij hadden besteld, kan een reden zijn voor een nieuwe prijsafspraak, maar dat deze daadwerkelijk is gemaakt, is gesteld noch gebleken. Ook kan dit een reden zijn voor een vordering tot ontbinding en/of schadevergoeding maar dat legt [eiser] niet aan dit deel van zijn vordering ten grondslag.
Dit brengt mee dat het bewijsaanbod van [eiser] niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen."
6. Het hof, dat ook de andere grieven van [eiser] verwierp, heeft bijgevolg het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
7. [Eiser] is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel dat door [verweerder] c.s. is bestreden met conclusie tot verwerping van het beroep.
8. Het middel bevat, als ik het goed zie, twee klachten.
9. De eerste klacht betreft een motiveringsklacht tegen de conclusie van het hof, inhoudende dat de inkoopprijs van [eiser] ook zijn verkoopprijs is.
10. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld of geconcludeerd dat de inkoopprijs van [eiser] ook zijn verkoopprijs is, doch heeft slechts geoordeeld dat [eiser] zijn stelling dat [verweerder] c.s. een bedrag van Euro 180,- per lam als koopprijs verschuldigd zijn, onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Voor zover de klacht strekt ten betoge dat (ook) dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is, nu [eiser] heeft aangevoerd dat minder lammeren zijn afgenomen dan door [verweerder] c.s. waren besteld en dat dit invloed heeft op de handelsprijs, kan de klacht evenmin doel treffen. Het oordeel van het hof dat deze door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden niet kunnen gelden als een voldoende onderbouwing, vindt een begrijpelijke en toereikende motivering in de overweging van het hof dat de omstandigheid [verweerder] c.s. minder lammeren hebben afgenomen dan zij hadden besteld, weliswaar een reden kan zijn voor een nieuwe prijsafspraak, maar dat gesteld noch gebleken is dat een dergelijke afspraak ook daadwerkelijk is gemaakt.
11. De tweede klacht houdt in dat het hof ten onrechte, althans zonder voldoende motivering, het bewijsaanbod van [eiser] met betrekking tot de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden in verband met de door [verweerder] c.s. verschuldigde koopprijs heeft gepasseerd.
12. De klacht is naar mijn oordeel ongegrond. Naar 's hofs - in cassatie tevergeefs bestreden - oordeel kunnen de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden de stelling dat [verweerder] c.s. een bedrag van Euro 180,- per lam als koopprijs verschuldigd zijn, niet dragen. Het hof heeft het bewijsaanbod van [eiser] met betrekking tot die aangevoerde feiten en omstandigheden daarom kennelijk en niet onbegrijpelijk als niet ter zake dienend aangemerkt. Het is de rechter toegestaan aan een niet ter zake dienend bewijsaanbod voorbij te gaan. Zie bijv. HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270 nt. DA, r.o. 3.6. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof het bewijsaanbod heeft gepasseerd op grond van een prognose omtrent de waarde van het aangeboden getuigenbewijs, mist zij, zo volgt uit het vorenstaande, feitelijke grondslag.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,