ECLI:NL:PHR:2008:BD5517
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over erkenning buitenlandse naamswijziging bij huwelijk en toepassing art. 5a lid 1 WCN
De vrouw en de man, beiden Nederlandse nationaliteit en woonachtig in Nederland, trouwden in 2004 in Hongarije, waarbij de vrouw volgens de Hongaarse huwelijksakte de achternaam van de man aannam. Deze akte werd ingeschreven in de Nederlandse burgerlijke stand met de gewijzigde naam. De vrouw verzocht daarop de naamswijziging ongedaan te maken, stellende dat zij niet bewust had gekozen voor de nieuwe naam en dat erkenning van de wijziging haar privéleven en identiteit schaadde, in strijd met artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank wees het primaire verzoek af maar gaf wel doorhaling van de huwelijksakte, omdat zij oordeelde dat de ambtenaar niet verplicht was de buitenlandse naamswijziging te erkennen als dit tegen de openbare orde indruist. Het hof vernietigde deze beslissing en bepaalde dat de naamswijziging niet had plaatsgevonden volgens Nederlands recht, waarbij het hof de schending van het recht op privéleven onder artikel 8 EVRM Pro als onrechtvaardigde inmenging zag.
De Hoge Raad stelde centraal de uitleg van artikel 5a lid 1 van de Wet conflictenrecht namen (WCN), die bepaalt dat in het buitenland vastgelegde naamswijzigingen in Nederland erkend worden, tenzij strijd met de openbare orde. De Hoge Raad concludeerde dat de uitzonderingsregel van art. 5a lid 1 WCN niet van toepassing is indien betrokkene zich tegen erkenning verzet en geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft gehad in de buitenlandse naamswijziging. De hoofdregel van art. 2 WCN Pro, dat Nederlandse namen worden bepaald door Nederlands recht, is hier van toepassing. De klacht van de ambtenaar dat het hof onjuist oordeelde werd verworpen en het beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de buitenlandse naamswijziging niet erkend wordt omdat de vrouw zich daartegen verzet.